Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Koolmees beantwoordt Kamervragen over grensarbeiders die noch WW uit België noch AOW uit Nederland krijgen

Koolmees beantwoordt Kamervragen over grensarbeiders die noch WW uit België noch AOW uit Nederland krijgen

4 oktober 2019

De Belgische WW stopt op 65. De Nederlandse AOW begint op 66 jaar en vier maanden. Grensarbeiders met een WW-uitkering zitten dus met een gat. PauL Smeulders (GL) stelde hierover vragen aan minister Koolmees. Deze vindt het niet aan Nederland om aanvullende WW-uitkeringen te doen, maar zegt wel toe in overleg te gaan met zijn Belgische collega.

Belgische WW en Nederlandse AOW sluiten niet op elkaar aan

In België wonende, maar in Nederland werkende grensarbeiders hebben als zij volledig werkloos worden recht op een werkloosheidsuitkering uit België. Het recht op AOW bouwt hij op in het land waarin en voor zover de grensarbeider verzekerd is geweest. Verzekerd voor de AOW is de ingezetene van Nederland en de niet-ingezetene die ter zake van in Nederland verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

Een Belgische werkloosheidsuitkering stopt op de pensioengerechtigde leeftijd, die in België momenteel 65 jaar bedraagt. In Nederland is de AOW-gerechtigde leeftijd inmiddels 66 jaar en vier maanden. Door dit verschil in pensioengerechtigde leeftijd kan zich de situatie voordoen dat een in België wonende grensarbeider, die uit een Nederlands dienstverband werkloos is geworden, bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd geen Belgische werkloosheidsuitkering meer ontvangt, terwijl hij nog geen recht heeft op een AOW-uitkering.

België kent tegemoetkoming voor grensarbeiders die ten minste vijftien jaar in België hebben gewerkt

België onderving deze problematiek inmiddels door een wijziging van het koninklijk besluit houdende de werkloosheidsreglementering. Iemand die ten minste vijftien jaar als grensarbeider in België heeft gewerkt, die ouder wordt dan 65 en nog niet in aanmerking komt voor de Nederlandse AOW kan op grond van deze wijziging een beroep blijven doen op de Belgische werkloosheidsuitkering. Zijn Belgische WW-uitkering wordt dan voortgezet totdat zijn AOW-uitkering in Nederland ingaat.

Voor grensarbeiders die minder dan vijftien jaar in België hebben gewerkt, is echter nog steeds sprake van een hiaat in de periode tussen de Belgische en de Nederlandse pensioengerechtigde leeftijd. Het GroenLinks Tweede Kamerlid Paul Smeulders stelde hierover schriftelijke vragen aan minister Koolmees van SZW. Hij vraagt of de minister de mening deelt dat er een oplossing moet komen voor de groep die nu tussen wal en schip valt en dat deze vanuit Nederland moet komen omdat België inmiddels een vangnetregeling heeft gemaakt voor de groep met wie dat land langdurige banden heeft.

Koolmees kent de problematiek en gaat in overleg met zijn Belgische collega

Minister Koolmees geeft in zijn antwoord aan dat hij de problematiek kent. Hij geeft aan dat lidstaten vrij zijn om hun sociale zekerheidsstelsels naar eigen inzicht in te richten. Het staat elke lidstaat vrij om de voorwaarden vast te stellen waaronder recht bestaat op uitkeringen. Koolmees wijst erop dat het Europese Hof van Justitie (HvJ) bepaalde dat een werknemer er niet van kan uitgaan dat wat de sociale zekerheid betreft het feit dat hij in een andere lidstaat gaat wonen neutraal uitpakt. Gelet op de verschillen tussen de socialezekerheidsregelingen van de lidstaten, kan verplaatsing van de woonplaats voor een burger zowel voordelig als nadelig uitvallen voor zijn of haar sociale bescherming. Dit hoeft volgens Koolmees geen belemmering van het vrije verkeer in te houden. Hij voegt daaraan toe dat soms echter de toepassing van een nationale regeling onverwachte gevolgen heeft, die moeilijk te verenigen zijn met het doel van het vrije verkeer van werknemers. Als die onverwachte gevolgen worden veroorzaakt door het feit dat het recht op een sociale zekerheidsuitkering van de migrerende werknemer onder twee verschillende wettelijke regelingen valt, zijn de nationale organen verplicht op grond van het beginsel van loyale samenwerking, alle hun ter beschikking staande middelen aan te wenden om het doel van het vrije verkeer van werknemers te bereiken. De minister verwijst hierbij naar de uitspraken van het HvJ in de zaken Leyman (C-3/08) en Van Munster (C-165/91). In dat geval moeten de bevoegde nationale organen beoordelen of hun wetgeving op de migrerende werknemer kan worden toegepast en op dezelfde wijze als op de werknemer die steeds in hetzelfde land is gebleven, zonder dat deze toepassing voor de migrerende werknemer het verlies van een sociaal zekerheidsvoordeel meebrengt.

Koolmees wijst er hierbij wel op dat de genoemde arresten zagen op de situatie waarin het recht op een sociale zekerheidsuitkering van een migrerende werknemer viel onder twee afwijkende wettelijke regelingen. Dit is volgens hem anders dan de onderhavige situatie waarin de ene lidstaat bevoegd is voor de werkloosheidsuitkering en de andere lidstaat voor het ouderdomspensioen. De arresten zijn dan ook niet één op één toepasbaar en leiden er niet automatisch toe dat Nederland in dit soort gevallen – als voormalige werkland – een werkloosheidsuitkering zou moeten betalen. Het is immers het woonland dat op basis van de Europese sociale zekerheidsverordening (EG nr. 883/2004) bevoegd is voor de werkloosheidsuitkering, aldus Koolmees. De oplossingsrichting die de Belgische regering aandroeg, lijkt hem dan ook juist. Deze strekt er namelijk toe dat grensarbeiders die in België wonen en in Nederland werken ook wanneer zij de leeftijd van 65 jaar zijn gepasseerd een beroep kunnen doen op de Belgische werkloosheidsuitkering zo lang zij nog niet in aanmerking komen voor de Nederlandse AOW. Waarom België daaraan de eis verbindt dat sprake moet zijn van een niet onderbroken periode van minstens vijftien jaar waarin zij hun hoofdverblijfplaats hadden in België terwijl ze werkten in een aan België grenzend land, is de minister niet bekend. Hij geeft aan dat zijn ministerie contact zal zoeken met het betrokken Belgische ministerie om dit onderwerp en de door de Belgische regering getroffen maatregel te bespreken en ook om na te gaan waarom zij een vijftien jaar-eis hebben gesteld. Hij zegt toe de Kamer over de uitkomsten van dit overleg te informeren.

Commentaar

De Europese Gemeenschap bestaat reeds vele jaren. Maar dat wil niet zeggen dat alle regelgeving altijd op elkaar is afgestemd. De lidstaten mogen hun eigen fiscale en sociale zekerheidsstelsel inrichten, zo lang geen sprake is van belemmering van het vrije verkeer. Hierdoor kunnen hiaten ontstaan waardoor mensen tussen wal en schip vallen. De door Smeulders gesuggereerde oplossing – laat Nederland de WW-uitkering betalen in de periode tussen 65 en de AOW-ingang – wordt terecht door Koolmees principieel afgewezen. Het woonland is verantwoordelijk voor de werkloosheidsuitkering. Nederland is verantwoordelijk voor de AOW. Een grensarbeider die in België woont en in Nederland werkt, bouwt over die periode ook Nederlandse AOW op (artikel 6, lid 1, onderdeel b AOW). Overleg met de Belgen is dan ook de geëigende weg om dit wel degelijk serieuze probleem op te lossen.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis 

Bron: Antwoord op vragen van het lid Smeulders aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 23 september 2019.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 4 oktober 2019.