Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Koolmees beantwoordt Kamervragen over uitspraak nabestaandenpensioen

Koolmees beantwoordt Kamervragen over uitspraak nabestaandenpensioen

20 november 2020

Minister Koolmees beantwoordde Kamervragen van de Kamerleden Omtzigt en Slootweg (beiden CDA) over de gevolgen van een uitspraak van het Hof Den Bosch over het nabestaandenpensioen. Volgens hem is sprake van een specifiek geval en betekent de uitspraak niet dat in alle gevallen waarin geen sprake is geweest van welbewuste instemming recht bestaat op schadevergoeding.

De casus

De casus waar het Hof Den Bosch onlangs uitspraak deed, bespraken wij in ons nieuwsbericht van 10 oktober 2019 en ons nieuwsbericht van 1 oktober 2020. Het Hof oordeelde dat de wijziging van de pensioenregeling, waardoor de opbouw van het nabestaanden op kapitaalbasis werd vervangen door een nabestaandenpensioen op risicobasis, een verslechtering inhield voor de deelnemer. Op grond van het zogenoemde CZ-arrest moet in een dergelijk geval sprake zijn van welbewuste instemming van de deelnemer om de wijziging rechtsgeldig tot stand te laten komen. Daarvan was in dit geval geen sprake, zodat de werkgever een schadevergoeding moest betalen.

De vragen

Omtzigt en Slootweg vroegen Koolmees of met deze uitspraak van het Hof Den Bosch vast is komen te staan dat een werknemer welbewust moet instemmen met de overgang van een nabestaandenpensioen op opbouwbasis naar een nabestaandenpensioen op risicobasis en dat zijn of haar nabestaande anders recht heeft op een schadevergoeding ter hoogte van het anders opgebouwde nabestaandenpensioen.

Daarnaast wilden zij weten of het klopt dat geen sprake is van welbewust instemmen wanneer de wijziging van het nabestaandenpensioen is opgenomen in een cao, maar de (ex-)werknemers geen lid is van een vakbond die met de wijziging instemde.

Ook stelden zij vragen over de verjaring van een dergelijke vordering en op welke wijze het recht op schadevergoeding afhangt van het al dan niet hebben van een zogenoemd ‘dynamisch incorporatiebeding’ in het arbeidscontract.

Tenslotte wilden zij weten of Koolmees bereid is om in overleg te treden met de pensioensector om het mogelijk te maken dat mensen op gestandaardiseerde en eenvoudige wijze een nabestaandenpensioen kunnen opvragen bij de voormalige werkgever van hun overleden partner.

De antwoorden

Koolmees antwoordt dat deze uitspraak niet betekent dat in alle gevallen waarin geen welbewuste instemming is geweest met de overgang van een nabestaandenpensioen op opbouwbasis naar een nabestaanden op risicobasis, recht bestaat op een schadevergoeding voor de nabestaanden. De omstandigheden zullen daartoe volgens hem per casus bekeken moeten worden.

Hij geeft aan dat een werknemer die wel onder een cao valt, maar geen lid is van een vakbond niet gebonden is aan een wijziging van de cao. In die situatie moet de werknemer in beginsel zelf met de wijziging van de cao instemmen. Omdat dit voor werkgevers een ongewenste situatie is, is in arbeidsovereenkomsten vaak sprake van een ‘dynamisch incorporatiebeding’. Een dergelijk beding zorgt ervoor dat wijzigingen in de cao ook doorwerken in de individuele arbeidsovereenkomst van werknemers die geen lid zijn van de vakbond.

Koolmees geeft aan dat in zijn algemeenheid geldt dat een verjaringstermijn gaat lopen zodra de schade zich voordoet. In dit geval is dat het moment van overlijden van de werknemer. Op dat moment ontstaat de schade voor de partner, te weten het niet ontvangen van een partnerpensioen. Voor deze schade geldt de reguliere verjaringstermijn van in beginsel vijf jaar, waarbinnen de partner actie moet ondernemen richting de pensioenuitvoerder.

De minister wijst erop dat de inhoud van de arbeidsovereenkomst een verantwoordelijkheid is van de werkgever en de werknemers. De werkgever mag er volgens hem vanuit gaan dat de werknemer de inhoud van de arbeidsovereenkomst kent en begrijpt. Dat geldt ook voor de betekenis en de gevolgen van een dynamisch incorporatie beding. De nabestaande is geen partij in de arbeidsovereenkomst, maar via de werknemer/partner hebben de wijzigingen van de cao in dergelijke gevallen wel impact op de nabestaande. Koolmees benadrukt dat ook bij een dynamisch incorporatiebeding sprake moet zijn van goede voorlichting voor de werknemers. De gevolgen van de wijziging moeten duidelijk zijn voor de werknemers. De vraag of er recht is op een schadevergoeding zal volgens hem, ongeacht of er sprake is van een dynamisch incorporatiebeding, afhangen van de specifieke omstandigheden van het geval.

Het lijkt de minister niet nodig om op dit moment in gesprek te gaan met de pensioensector. De door de vragenstellers geopperde mogelijkheid om informatie op te vragen, is in eerste instantie een kwestie tussen werkgever en nabestaande. Hij voegt daaraan toe dat de wijziging van arbeidsvoorwaarden aan diverse randvoorwaarden is gebonden, zoals informatieverstrekking aan werknemers over de wijzigingen. Daarnaast geeft Koolmees aan dat vrijwel alle pensioenregelingen een hardheidsclausule kennen. Een dergelijke clausule geeft het bestuur van een pensioenfonds in een individueel geval de mogelijkheid om af te wijken van het pensioenreglement. Dat lijkt hem in deze situatie de juiste weg om te bewandelen.

Commentaar

Koolmees geeft terecht aan dat een uitspraak van een rechter per definitie alleen van toepassing is op het specifieke geval dat hem wordt voorgelegd. Het is lastig en wellicht zelfs gevaarlijk, om hier zonder meer een bredere strekking en werking aan te geven.

Maar het is uiteraard wel zo dat er ongetwijfeld vergelijkbare gevallen zijn waarin wijziging van het nabestaandenpensioen niet op de daarvoor geëigende wijze tot stand is gekomen. Desalniettemin gaat het ook in die gevallen om de specifieke omstandigheden van dat geval en zal de rechter aan de hand daarvan oordelen. De door Koolmees aangegeven noodzaak tot goede voorlichting onderschrijven wij uiteraard van harte.
Bijzonder is wel dat bij de verwijzing naar de hardheidsclausule die bijna alle pensioenregelingen volgens de minister bevatten, hij (weer) alleen naar de situatie bij pensioenfondsen kijkt. Bij een rechtstreeks verzekerde regeling is geen sprake van een bestuur die een dergelijke clausule kan toepassen. En …………. in het geval waarover het Hof Den Bosch oordeelde en dat de aanleiding vormde voor de Kamervragen was sprake van een bij een pensioenverzekeraar ondergebrachte rechtstreeks verzekerde regeling ………………

Bron: Antwoord van minister Koolmees op vragen van de leden Omtzigt en Slootweg over het recht op partnerpensioen op risicobasis na beëindiging dienstverband, 4 november 2020, 2020Z17912

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 19 november 2020.