Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Koolmees: Initiatiefnota Omtzigt/Bruins waardevolle aanvulling op het debat over nabestaandenpensioen

24 januari 2019

Minister Koolmees (SZW) stuurde op 14 januari 2019 zijn reactie op de initiatiefnota van 13 juli 2018 van de Tweede Kamerleden Omtzigt en Bruins over het nabestaanpensioen naar de Tweede Kamer. Hij vraagt de STAR om advies over de wenselijke dekking van het nabestaandenpensioen.

Initiatiefnota

De Kamerleden Pieter Omtzigt (CDA) en Eppo Bruins (CU) publiceerden op 13 juli 2018 een initiatiefnota over het nabestaandenpensioen. Daarin constateren ze dat de wijze waarop nabestaandenpensioen is vormgegeven vooral de afgelopen 20 jaar aan grote wijziging onderhevig is geweest. Dat heeft volgens hen geleid tot een stelsel van nabestaandenpensioen dat volstrekt onoverzichtelijk is, geen uniforme dekking heeft en waarbij zelfs de doelstelling van regelingen niet altijd duidelijk is. Omtzigt en Bruins formuleerden een vijftal actiepunten. De Tweede Kamer vroeg minister Koolmees op 13 september 2018 om een separate inhoudelijke kabinetsreactie.

Reactie Koolmees

De door de Tweede Kamer gevraagde termijn van vier weken haalde minister Koolmees niet. Hij stuurde zijn reactie op 14 januari 2019 naar de Kamer. Hij geeft aan dat hij de initatiefnota een waardevolle aanvulling acht op het debat dat hij met de Tweede Kamer voerde, onder andere in het algemeen overleg op 20 juni 2018 en in de Verzamelbrief pensioenonderwerpen van 12 juli 2018.

Koolmees constateert dat in veel huishoudens geen sprake is van een evenwichtige inkomensverdeling, wat de ene partner financieel meer afhankelijk maakt van de andere partner dan vice versa. De behoefte aan een adequate nabestaandenvoorziening bestaat daardoor nog altijd. Tevens blijkt volgens hem dat veel onbekendheid en onduidelijkheid over het financiële risico bij nabestaandenpensioen het gevolg is van zowel de informatieverstrekking over nabestaandenpensioen als de diversiteit en complexiteit in de vormgeving van het nabestaandenpensioen.

In de initiatiefnota vragen Omtzigt en Bruins allereerst om een advies te vragen aan de SER of de STAR over de wenselijke dekking van het nabestaandenpensioen inclusief de verdeling tussen publiek en privaat. Koolmees antwoordt dat, gelet op de primaire verantwoordelijkheid om afspraken te maken over de inhoud en de vormgeving van het partnerpensioen, hij de STAR om dat advies heeft gevraagd. Hij tekent daarbij aan dat er momenteel een beleidsdoorlichting van de Algemene nabestaandenwet plaatsvindt. Om samenloop tussen beide onderwerpen te voorkomen, geeft de minister richting STAR aan het op prijs te stellen als het advies zich primair richt op de wenselijke dekking en de vormgeving van het nabestaandenpensioen in de tweede pijler.

Commentaar

Het nabestaandenpensioen staat volop in de belangstelling. Niet alleen door de initiatiefnota, maar ook door de brief van 17 januari 2019 van de STAR, de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars inzake de uniformering van het partnerbegrip. Deze partijen stellen een wettelijk minimum uniform partnerbegrip voor. Daarbij gaan ze ervan uit dat als een pensioenovereenkomst voorziet in een partnerpensioen ten behoeve van een ongehuwde, niet geregistreerde partner, deze in ieder geval voor een partnerpensioen in aanmerking komt als hij voldoet aan de volgende vier voorwaarden.

  1. Er is sprake van een duurzame gezamenlijke huishouding op eenzelfde adres tussen twee ongehuwde personen die geen van beiden een geregistreerd partnerschap of een andere gemeenschappelijk huishouding hebben;
  2. de partner is geen bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad
  3. de gezamenlijke huishouding is notarieel vastgelegd in een overeenkomst voor onbepaalde tijd, waarin degenen met wie het samenlevingsverband is aangegaan met het oog op pensioen als partner is aangewezen;
  4. de deelnemer heeft de partner aangemeld bij de pensioenuitvoerder.

 

De STAR, Pensioenfederatie en het Verbond geven aan dat het nadrukkelijk niet de bedoeling is om te tornen aan de contractsvrijheid van sociale partners bij de vraag of een partnerpensioen onderdeel moet zijn van de pensioenregeling. Dit blijft een vrije keuze voor sociale [partners, net als de beslissing of sprake is van partnerpensioen op opbouwbasis of op risicobasis. Ook is er geen verplichting om ook een partnerpensioen toe te zeggen aan samenwonende partners als sociale partners er voor kiezen om partnerpensioen onderdeel uit te laten maken van de pensioenregeling.

Op zich is het natuurlijk een lovenswaardig streven om te komen tot een uniform partnerbegrip. Maar, wij vragen ons eerlijk gezegd wel een beetje af wat dit voorstel nu eigenlijk toevoegt aan de huidige praktijk. Er kan nog steeds voor worden gekozen om ofwel helemaal geen partnerpensioen toe te zeggen, ofwel een partnerpensioen alleen aan gehuwden of geregistreerde partners toe te zeggen. En áls dan ook aan ongehuwden partners een partnerpensioen wordt toegezegd geldt het ten minste voor partners die op basis van een notariële akte samenwonen op hetzelfde adres, geen bloed- of aanverwantschap hebben in de eerste of tweede graad en zijn aangemeld bij de pensioenuitvoerder. Er zijn (praktisch) geen regelingen waarvoor voor ongehuwde partner (nog) strengere voorwaarden gelden. Ruimere voorwaarden mogen uiteraard. Dus wat voegt dit toe?

Wilt u alles weten over de ontwikkelingen rond het partnerpensioen? De politieke discussies de jurisprudentie en de visie vanuit sociale partner? Kom dan op 1 februari naar het door Aegon en het Expertisecentrum pensioenrecht van de VU georganiseerde Flitscongres. Aanmelden kan door een mail te sturen naar flitscongres@aegon.nl. U ontvangt dan een persoonlijke uitnodiging.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Kabinetsreactie initiatiefnota, 34 996, nr. 2