Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Koolmees stuurt Kamerbrief over stand van zaken keuzerecht gedeeltelijke afkoop ouderdomspensioen

Koolmees stuurt Kamerbrief over stand van zaken keuzerecht gedeeltelijke afkoop ouderdomspensioen

27 mei 2021

Minister Koolmees stuurde op 18 mei 2021 een brief naar de Tweede Kamer over de stand van zaken met betrekking tot het keuzerecht voor een gedeeltelijke afkoop van het ouderdomspensioen; beter bekend als het ‘bedrag ineens’. Hiermee komt hij de toezeggingen na die hij deed tijdens de behandeling van de wet bedrag ineens, RVU en verlof sparen in de Tweede en Eerste Kamer.

Vervolgtraject bedrag ineens

Tijdens de behandeling van de wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen in de Eerste Kamer op 12 januari 2021 zegde minister Koolmees van SZW toe de inwerkingtredingsdatum van het keuzerecht bedrag ineens met één jaar op te schuiven naar 1 januari 2023. Dit geeft pensioenuitvoerders meer tijd om hun voorbereiding ten aanzien van dit keuzerecht zorgvuldig in te richten.

Koolmees wil deze extra tijd ook gebruiken om met pensioenuitvoerders te bekijken welke aanpassingen noodzakelijk zijn om de uitvoerbaarheid van de doorgevoerde aanpassingen van het wetsvoorstel via de tweede nota van wijziging te verbeteren. De tweede nota van wijziging regelde dat een deelnemer voorafgaand aan zijn gewenste pensioeningangsdatum twee keuzemomenten heeft om een bedrag ineens tot uitkering te laten komen. Ofwel op de pensioeningangsdatum óf in de maand februari van het jaar volgend op het jaar waarin hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.

De tweede nota van wijziging maakt voor pensioenuitvoerders de uitvoerbaarheid van het keuzerecht echter te complex. Koolmees bekijkt op dit moment samen met pensioenuitvoerders en aanbieders van oudedagsvoorzieningen in de derde pijler welke oplossingen noodzakelijk zijn, zodat de complexiteit en de uitvoeringskosten verminderen en de begrijpelijkheid voor de deelnemer verbetert. Hierbij is het volgens hem belangrijk om ook oog te houden voor juridische aspecten, bijvoorbeeld op het punt van gelijke behandeling. Zodra hij met pensioenuitvoerders een werkbare oplossing heeft gevonden, informeert hij de Kamer daarover.

Internationale aspecten

Tijdens het wetgevingsoverleg van 5 november 2020 in de Tweede Kamer zegde Koolmees toe om na overleg met de Staatssecretaris van Financiën in te gaan op de vraag hoe de uitkering van het bedrag ineens in internationale situaties uitwerkt.

Belastingverdragen zijn met name bedoeld om heffingsrechten te verdelen om daarmee dubbele belasting te voorkomen. De wijze waarop landen de toegekende heffingsrechten naar hun nationale recht effectueren, valt onder hun eigen soevereiniteit. Nederland is gebonden aan de belastingverdragen en kan daar dus voor het bedrag ineens niet van afwijken. Ook niet als een land op een andere manier invulling geeft aan zijn heffingsrecht dan Nederland.
Het is dus volgens de minister denkbaar dat inwoners van bepaalde landen – afhankelijk van het lokale belastingrecht – een lagere belastingdruk ervaren dan het geval zou zijn geweest als zij in Nederland zouden wonen. Zijn verwachting is echter dat slechts een zeer beperkte groep zal emigreren om van dergelijke mogelijkheden gebruik te maken.

Herstel eerder gemaakte keuze niet mogelijk

Tijdens het wetgevingsoverleg in de Tweede Kamer vroegen meerdere partijen aandacht voor de gevolgen van de uitkering van een bedrag ineens voor de belastingdruk en de toeslagen. De Kamer vroeg of er maatregelen kunnen worden getroffen om te voorkomen dat een deelnemer een keuze maakt die achteraf bezien onverstandig uitpakt.

Naast de voorwaarden die aan de gedeeltelijke afkoop zijn gesteld, zoals een maximum van 10% en het uitsluiten van de combinatie met het hoog-laagpensioen, is volgens Koolmees ten aanzien van de gevolgen voor de belastingdruk en toeslagen de informatieverstrekking van groot belang. De informatievoorziening vanuit de pensioenuitvoerder is erop gericht te voorkomen dat een deelnemer een onverstandige keuze maakt. Een deelnemer die interesse heeft in het gebruikmaken van de gedeeltelijke afkoop, ontvangt ten minste tweemaal informatie van de pensioenuitvoerder.

Koolmees geeft aan dat als de deelnemer na ontvangst van deze specifieke informatie kiest voor de uitbetaling van het bedrag ineens en daarmee voor een verlaging van de maandelijkse pensioenuitkeringen, deze keuze dan definitief is. Het bedrag ineens wordt uitgekeerd onder inhouding van de verschuldigde loonheffingen. De pensioenuitvoerder draagt deze loonheffingen af. Tijdens het wetgevingsoverleg gaf de minister al aan dat een hoge belastingdruk in dat jaar gemiddeld kan worden met twee aansluitende belastingjaren om zo de fiscale gevolgen enigszins te beperken.

Volgens de minister kan van een pensioenuitvoerder niet worden verlangd dat deze de mogelijkheid biedt om terug te komen op een eerdere keuze. Ook roept het bieden van een dergelijke mogelijkheid de vraag op naar een generieke regeling voor andere keuzemogelijkheden. Dat staat haaks op het uitgangspunt dat de belastingheffing zoveel mogelijk aansluit bij het feitelijk moment van uitbetalen en is bovendien vanuit de oogpunten van administratieve lastendruk en complexiteitsreductie, bezwaarlijk. Alles overziend acht Koolmees het derhalve niet verstandig om op voorhand door middel van regelgeving ervoor te zorgen dat herstel van een keuze die achteraf nadelig uitpakt, toe te staan. De keuze voor een bedrag ineens is een vrijwillige keuze, waarbij de inzet van de uitgebreide informatie- en waarschuwingsverplichtingen vooraf en het stellen van voorwaarden zoals het maximeren van het bedrag ineens, juist beoogt problemen te voorkomen.

Bedrag ineens en toeslagen

In het wetgevingsoverleg over het wetsvoorstel bedrag ineens, RVU en verlofsparen vroeg de Kamer om een oplossing te vinden voor mensen die door het bedrag ineens hun toeslagen kwijtraken.

Koolmees geeft aan dat de basis van het toeslagenstelsel steunt op het principe van draagkracht. Toeslagen bieden inkomensondersteuning en borgen de financiële toegankelijkheid van zorg, kinderopvang en huurwoningen. In dat perspectief bezien is het voor het draagvlak voor inkomensafhankelijke overheidssteun belangrijk dat er een goede onderbouwing bestaat om uitzonderingen te introduceren.

Bij dit vraagstuk moet er volgens Koolmees een afweging worden gemaakt tussen de positie van het individu, het recht willen doen aan het draagkrachtprincipe van het toeslagenstelsel, het gevolg van een extra uitzondering voor de uitvoering van het toeslagensysteem, en het doenvermogen van mensen. Alles overziend komt hij tot de conclusie dat er onvoldoende onderbouwing gegeven kan worden voor het opnemen van een uitzonderingsgrond voor een bedrag ineens bij toeslagen.

De oplossing van het gesignaleerde probleem moet volgens Koolmees juist gezocht worden in de beoordeling van de gevolgen van de gedeeltelijke afkoop, voorafgaand aan de keuze om een deel van het ouderdomspensioen af te kopen. Bij de afweging om hiervan gebruik te maken moet een deelnemer voor zichzelf inzichtelijk maken of en zo ja, welke gevolgen de gedeeltelijke afkoop heeft voor toeslagen. Een goede informatievoorziening vanuit pensioenuitvoerders, aanbieders van oudedagsvoorzieningen in de derde pijler, de Belastingdienst, de SVB en eventueel een financieel adviseur draagt volgens hem bij aan het voorkomen van een onverstandige keuze door deelnemers.

Commentaar

De invoering van de mogelijkheid om een gedeelte van het ouderdomspensioen op pensioeningangsdatum af te kopen, zorgde en zorgt nog steeds voor de nodige commotie. Het CDA stelde meteen al bij de behandeling in de Tweede Kamer de meest principiële vraag; waarom bouw je niet 10% minder op als die 10% toch niet nodig is voor het levenslange pensioen? Met andere woorden; als 90% ook voldoende is om te voorzien in de verzorging van de oude dag, moet we dan 100% fiscaal faciliteren? Het alvast uitkeren van een tiende deel van het pensioen tast volgens de Christendemocraten de beschermingsfunctie van het pensioen aan en dat schaadt het fundament van het pensioenstelsel.

Tijdens de behandeling bleek er grote spanning te bestaan tussen enerzijds begrijpelijkheid en uitvoerbaarheid en anderzijds het voorkomen van voor individuele deelnemers nadelige consequenties, zoals het mogelijk verlies van toeslagen en het verschil in premieheffing door verschillende tijdstippen waarop een deelnemer die afkoopt de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. De Tweede Kamer legde het accent bij de individuele deelnemer en dwong een tweede nota van wijziging af met een gecompliceerd tweede keuzemoment. Zie ons nieuwsbericht van 17 november 2020. De Eerste Kamer had meer oog voor de uitvoerbaarheid en zorgde ervoor dat minister Koolmees de ingangsdatum met een jaar uitstelde. Zie ons nieuwsbericht van 14 januari 2021.

Met deze Kamerbrief komt Koolmees een aantal toezeggingen na die hij tijdens het wetgevend proces deed in beide Kamers. Uit zijn brief blijkt ook het dilemma tussen uitvoerbaarheid en de belangen van de deelnemers. Hij zoekt nog, samen met de pensioenuitvoerders naar een werkbare oplossing. Uit de brief blijkt dat dit niet eenvoudig is.

Een naar onze mening goed begin zou zijn om het tweede keuzemoment te beperken tot deelnemers die gedeeltelijk afkopen in het jaar waarin zij de AOW-gerechtigde leeftijd bereiken. Alleen in dat jaar speelt immers het verschil in premieheffing aan de hand van de datum waarop iemand de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Deelnemers die een pensioeningangsdatum hebben die ligt vóór het jaar waarin zij AOW-gerechtigd worden, betalen immers in het jaar dat hun pensioen ingaat en zij gebruik kunnen maken van de mogelijkheid om gedeeltelijk af te kopen, het gehele jaar nog premies. Zij hebben dus geen last van het door de Tweede Kamer aangekaarte probleem waarvoor Koolmees met de tweede nota van wijziging een oplossing probeerde te vinden. Een oplossing die echter het beoogde doel ver voorbij schiet, omdat hij een tweede keuzemoment creëert voor alle deelnemers die gedeeltelijk afkopen voordat zij de AOW-gerechtigde leeftijd bereiken. Ook als het afkoopmoment ligt (ver) voor het jaar waarin de AOW ingaat. De door Koolmees gesignaleerde mogelijke problemen met gelijke behandeling naar leeftijd, zien wij niet zo direct. De vraag is immers of sprake is van gelijke gevallen bij deelnemers die het gehele jaar premies volksverzekeringen verschuldigd zijn en deelnemers die dat maar een gedeelte van het jaar zijn.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Brief van de minister van SZW van 18 mei 2021, Kamerstukken I, 2020/21, 35 555, I

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 26 mei 2021.