Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Koolmees stuurt Verzamelbrief pensioenonderwerpen naar de Tweede Kamer.

Koolmees stuurt Verzamelbrief pensioenonderwerpen naar de Tweede Kamer.

24 september 2020

Minister Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stuurde op 22 september 2020 de Verzamelbrief pensioenonderwerpen naar de Tweede Kamer. In de brief informeert hij de Kamer over een zestal pensioenonderwerpen en geeft hij een reactie op het onderzoek van het CPB en Netspar “Lage rente en de toekomst van pensioenen”.

Stand van zaken toezeggingen bij evaluatie Wet verbeterde premieregeling (WVP)

Om de begrijpelijkheid en de vergelijkbaarheid tussen verschillende WVP-producten te verbeteren, stelde het Verbond van Verzekeraars een begrippenlijst op, waar toelichtingen van definities en de onderlinge vergelijkbaarheid te vinden zijn. Daarnaast ontwikkelde het Verbond een impact tabel die inzicht verschaft aan de klant over de mogelijke impact van de belangrijkste risico’s bij een specifieke variabele uitkering/product. Tenslotte is de risicomeetlat in ontwikkeling. Deze geeft (financiële) risico’s met betrekking tot de vaste daling en inflatie een prominentere plek. Dit maakt de vergelijking enerzijds tussen de vaste en de variabele uitkering en anderzijds de vergelijking met producten van andere aanbieders inzichtelijk. De impact tabel is afgerond en verzekeraars implementeren hem het komende half jaar. De risicomeetlat is in een afrondende fase en is aan het einde van het derde kwartaal geschikt voor implementatie.

Naast deze al eerder aangekondigde verbeterinitiatieven, loopt er momenteel een onderzoek naar welke kernelementen van belang zijn voor het bepalen van het risicoprofiel van een deelnemer en een deelnemersgroep. Het doel hiervan is uiteindelijk beter te kunnen bepalen of producten aansluiten bij (het risicoprofiel) van deelnemers.

Koolmees denkt hiermee belangrijke vervolgstappen te zetten om de begrijpelijkheid en vergelijkbaarheid van informatie te vergroten. Het stelt deelnemers volgens hem in staat om een beter gefundeerde keuze te maken tussen een vaste en een variabele uitkering. Hij vindt het goed dat deze initiatieven vanuit de sector zijn ontstaan. De AFM liet hem weten dat zij initiatieven tot verbetering van de informatievoorziening ondersteunt. Zij zal de informatievoorziening die volgt uit de initiatieven meenemen in haar toezichttaak. Koolmees wil in samenwerking met de sector en de AFM bezien of, en in hoeverre, de definitieve uitwerking ervan leidt tot wijzigingen voor het standaardmodel.

Verder stelt de minister enkele verbetermaatregelen voor de zorgplicht en de informatievoorziening voor. Hij wil de zorgplicht voor het geval een WVP-aanbieder meerdere varianten van de variabele uitkering aanbiedt, gelijktrekken met de keuze voor een bepaald beleggingsprofiel. Dit ziet specifiek op de situatie dat een pensioengerechtigde een keuze kan maken voor de wijze waarop hij zijn pensioenvermogen wil verdelen tussen een vastgestelde en een variabele uitkering bij dezelfde pensioenuitvoerder. Na wijziging van de wet op dit punt biedt de pensioenuitvoerder in geval van een combinatieproduct de meest geschikte combinatie van een vast en variabel pensioen aan, in aansluiting op het risicoprofiel van de desbetreffende deelnemer.

Koolmees geeft aan dat hij het van belang vindt dat deelnemers gericht worden begeleid bij het maken van de keuze met inachtneming van de individuele risico’s en de gevolgen daarvan. Hij wil het Besluit uitvoering Pensioenwet uitbreiden en daarmee borgen dat deelnemers een bewustere keuze kunnen maken op het voorlopig keuzemoment. Dit is het moment dat het beleggingsbeleid voor pensioeningangsdatum uit elkaar gaat lopen afhankelijk van de keuze voor een vaste uitkering of een variabele uitkering. Dit moment ligt doorgaans tien tot vijftien jaar voor de pensioeningangsdatum.

Communicatie over het nieuwe pensioenstelsel voor deelnemers

In het debat over het Pensioenakkoord op 14 juli 2020 zegde de minister op verzoek van het lid Omtzigt (CDA) toe om voor een gemiddelde Nederlander op een beknopte wijze inzichtelijk te maken hoe het nieuwe pensioenstelsel en de transitie daarnaartoe gaan werken.

Koolmees kwam deze toezegging na door inmiddels op www.rijksoverheid.nl  en diverse sociale mediakanalen van het ministerie met een animatie  en begrijpelijke teksten op een toegankelijke wijze inzichtelijk te maken wat er gaat veranderen en hoe het nieuwe stelsel eruit komt te zien. 
De minister voegt daar aan toe, dat het daar niet bij blijft. De transitie naar een nieuw pensioenstelsel neemt volgens hem nog een aantal jaren in beslag. Met name in de fase na het wetgevingsproces waarin het nieuwe pensioenstelsel moet worden toegepast in de praktijk, moet er volgens hem op een begrijpelijke wijze worden gecommuniceerd naar burgers. Zijn ministerie gaat  de komende periode in gesprek met de betrokken partijen op welke wijze zij hier gezamenlijk het beste invulling aan kunnen geven.

Planning uniformering partnerbegrip

In het debat over de uitwerking van het Pensioenakkoord sprak de Tweede Kamer steun uit voor een wettelijke uniformering van de partnerdefinitie. Het lid Van Weyenberg (D66) vroeg de regering om een uitgebreide wettelijke definitie zo snel mogelijk wettelijk te verankeren. Koolmees geeft in de verzamelbrief aan voornemens te zijn om de partnerdefinitie zo snel als kan in te voeren, maar voegt daar wel aan toe dat snelheid niet ten koste mag gaan van zorgvuldigheid. Gelet op de complexiteit van de uitvoering vindt hij het verstandig om de uitbreiding van het partnerbegrip niet via een nota van wijziging te regelen bij het wetsvoorstel Pensioenverdeling bij scheiding 2022 dat reeds bij de Tweede Kamer ligt. De minister wil de uniformering van het partnerbegrip mee laten lopen in het wetsvoorstel inzake de uitwerking van het Pensioenakkoord. Door de uniformering van het partnerbegrip in dit wetstraject mee te nemen, is er voldoende tijd om met de sector uitvoeringskwesties te bezien.

Gesprekken ouderen- en jongerenorganisaties

Op verzoek van de Kamerleden Van der Linde (VVD) en Omtzigt (CDA) gaat Koolmees op korte termijn met vertegenwoordigers van ouderen- en jongerenorganisaties in gesprek over de vorm van inspraak bij het invaren van bestaande aanspraken en rechten naar het nieuwe pensioenstelsel. De minister geeft aan tijdens de uitwerking van het Pensioenakkoord gedurende het afgelopen jaar ook goede gesprekken met deze organisaties te hebben gevoerd. Hij blijft bij de wetsuitwerking van het Pensioenakkoord met deze partijen in gesprek.

Indexatieperspectief in het nieuwe stelsel

Het lid Van Brenk (50PLUS) stelde in een ordedebat van 1 september 2020 dat er sprake lijkt te zijn van een discrepantie tussen de teksten die zijn uitgesproken tijdens de presentatie van het Pensioenakkoord en een artikel van actuaris Marc Heemskerk in PensioenPro van 24 augustus 2020 waarin deze stelt dat indexatie voor huidige ouderen definitief uit het zicht verdwijnt.

Koolmees antwoordt daarop dat niemand weet hoe de toekomst er precies uitziet. Daarom zijn de uitkomsten van de verschillende contracten doorgerekend in verschillende scenario’s. Volgens hem blijft op hoofdlijnen staan dat het nieuwe contract – door het vervallen van de buffereisen – sneller meebeweegt met de ontwikkeling van de economie en daarmee indexatie dichterbij brengt ten opzichte van het huidige ftk-contract.

Effectieve pensioenleeftijden in de publieke sector in de EU

De Kamer vroeg tijdens een Notaoverleg op 4 mei 2020 om een overzicht van de effectieve pensioenleeftijden (d.w.z. de leeftijd waarop men daadwerkelijk stopt met werken) in de publieke sector van de EU-lidstaten. Koolmees geeft in de brief aan dat uit een verkenning bij OESO, APG/ABP en PensionsEurope blijkt dat er geen overzichten voorhanden zijn van de relatie tussen effectieve pensioenleeftijd en pensioenregelingen in de publieke sector. Aan de hand van een overzicht van de effectieve pensioenleeftijd  in verschillende landen en speciale (publieke) pensioenregelingen in de EU kan de minister echter wel een indruk geven van de rol van speciale pensioenen in het grotere geheel.
Daaruit blijkt bijvoorbeeld dat de verschillen tussen de OESO-landen in effectieve pensioenleeftijden nog groot zijn. Ook lijkt een hogere uittredeleeftijd buiten Europa relatief meer voor te komen dan in de EU. Mannen gaan over het algemeen later met pensioen dan vrouwen. De wettelijke pensioenleeftijd voor vrouwen ligt in een aantal landen(nog) lager. Deze verschillen kunnen volgens de minister verschillende oorzaken hebben: bevolkingssamenstelling, staat van de economie en de eigenschappen van pensioenstelsels. Maar, zo stelt Koolmees vast; al met al blijken speciale pensioenen in de publieke sector maar een zeer beperkte invloed te hebben op de pensioenuitgaven in het algemeen.

Koolmees concludeert dat pensioenhervorming in veel lidstaten ook in de toekomst nodig zal blijven. De benodigde beheersing van de kosten van vergrijzing (naast pensioen en zorg) hiervoor is volgens hem altijd tweeledig. Aan de ene kant dienen kostenbesparingen te worden gerealiseerd binnen het pensioenstelsel en het zorgstelsel middels hervormingen. Aan de andere kant moet het groeivermogen van lidstaten worden vergroot zodat de stijgende kosten beter kunnen worden gedragen. Hiervoor zijn hervormingen op de arbeidsmarkt en gerelateerd aan het investeringsklimaat essentieel. Dat is volgens Koolmees ook waar de Europese Commissie en de OESO bij hun beoordeling van pensioenstelsels en noodzakelijke hervormingen consequent de nadruk op blijven leggen.

Reactie op CPB/Netspar onderzoek naar lage rente en de toekomst van pensioenen

Het CPB en Netspar deden op verzoek van Koolmees en naar aanleiding van Kamervragen hierover, onderzoek naar de betekenis van lage rente en rendementen voor het Nederlandse pensioenstelsel.

Koolmees onderschrijft de conclusie uit het onderzoek dat meer individueel sparen of meer beleggen in kapitaalgedekte pensioenen alsmede investeren in menselijk kapitaal (scholing en duurzame inzetbaarheid) een terugval in pensioeninkomens als gevolg van langjarig lagere rendementen kan verzachten. Het onderzoek stelt dat de implicaties van een lage rente van weinig belang zijn voor de keuze tussen de verhouding van omslagfinanciering en kapitaaldekking. Koolmees geeft aan dat die keuze op meer fundamentele gronden moet worden genomen, zoals de mate waarin deelnemers bloot willen staan aan ontwikkelingen op financiële markten en maatschappelijke afwegingen rond politieke en bestuurlijke risico’s.
De minister beaamt dat er over het pensioenstelsel in den brede ook zeer fundamentele vragen kunnen worden gesteld; zoals de door de onderzoekers genoemde verhouding tussen omslagfinanciering en kapitaaldekking. Hij is het met de onderzoekers eens dat voor dergelijke beslissingen meer inzicht nodig is en dat de uitwerking van het Pensioenakkoord daarin prioriteit verdient.

Commentaar

Minister Koolmees geeft in deze verzamelbrief antwoord op vragen die de Tweede Kamer in de diverse debatten over pensioen stelde. Voor de uitvoeringspraktijk is met name de uniformering van het partnerbegrip van belang. Hij geeft aan dat zorgvuldigheid gaat voor snelheid. Dat onderschrijven we van harte. Desalniettemin wil hij, op aandringen van de Kamer, het per 1 januari 2022 invoeren. Ook deze wijziging gaat gepaard met een complexe overgangsproblematiek. Er zijn regelingen op grond waarvan een deelnemer in de huidige situatie géén partnerpensioen opbouwt en onder de nieuwe definitie wél. En ook het omgekeerde komt voor. Hetzelfde geldt voor regelingen met partnerpensioen op opbouwbasis, die in het nieuwe systeem omgezet moeten worden in partnerpensioen louter op risicobasis. Wat gebeurt er met de opgebouwde aanspraken?
Door als invoerdatum 1 januari 2022 te kiezen, moeten alle pensioenregelingen binnen korte tijd twee keer aangepast worden. Per 1 januari 2022 op het punt van het nabestaandenpensioen en uiterlijk per 1 januari 2026 op het punt van  het nieuwe pensioencontract. Dat legt een zware druk op de uitvoeringspraktijk. Daarom roepen wij de minister om te overwegen of deze aanpassingsmomenten niet kunnen worden samengevoegd, zodat deze druk enigszins wordt verlicht.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Verzamelbrief pensioenonderwerpen, 22 september 2020, 2020-0000078459

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 24 september 2020.