Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Koolmees vindt koppelen AOW-leeftijd aan arbeidsverleden van 45 jaar geen begaanbare weg

1 juni 2018

Minister Koolmees beantwoordt vragen van het Tweede Kamerlid Van Kent (SP). Volgens hem is het koppelen van de AOW-leeftijd aan een arbeidsverleden van 45 jaar geen begaanbare weg en staat het ook haaks op het karakter van de AOW.

“45 jaar werk is genoeg”

Naar aanleiding van een artikel in de Telegraaf “45 jaar werk is genoeg!” en het daarbij behorende “Onderhandelingsresultaat cao Bouw & Infra 2018-2019” stelde het Tweede Kamerlid Van Kent van de SP schriftelijke vragen aan minister Koolmees van SZW.

Hij vroeg de minister hoe deze tegemoet gaat komen aan de eis van de werkgevers en de vakbonden om voor de zware beroepen in de bouw- en infrasector tot een flexibele AOW te komen, die kan ingaan na 45 jaar gewerkte jaren.

Verder wil hij weten of Koolmees kan onderzoeken in welke sectoren het mogelijk is om het arbeidsverleden te koppelen aan de AOW-leeftijd en in welke sectoren het arbeidsverleden wel goed is geregistreerd. Van Kent vraagt tenslotte of Koolmees bereid is om het arbeidsverleden te koppelen aan de AOW-leeftijd.

Geen begaanbare weg en haaks op het karakter van de AOW

De minister geeft in zijn antwoord aan dat al sinds 2009 wordt geprobeerd om te komen tot een regeling voor een groep mensen met een zwaar beroep. Opeenvolgende kabinetten en sociale partners concludeerden keer op keer dat een dergelijke regeling niet is uit te werken. Er zijn volgens hem zowel uitvoeringstechnisch als inhoudelijk sterke beperkingen. Dit geldt ook voor het pleidooi van de bij de cao Bouw & Infra betrokken partijen voor een flexibele AOW-leeftijd, gekoppeld aan een arbeidsverleden van 45 jaar voor zware beroepen in deze sector.

Volgens Koolmees moet de oplossing voor werknemers in zware beroepen niet worden gezocht in een definitie. Deze kan namelijk niet goed worden afgebakend en is daardoor onbeheersbaar en lastig uitvoerbaar. Het afbakenen van zware beroepen tot bepaalde sectoren biedt evenmin een oplossing. Er is namelijk binnen de sectoren sprake van diversiteit in de zwaarte van beroepen, afhankelijk van de functie die men binnen een organisatie bekleedt. Hij geeft daarbij aan dat bovendien de inhoud van werk in de loop van de tijd kan veranderen. Voorts is volgens hem van belang dat een regeling voor specifieke groepen er niet toe zou mogen leiden dat inspanningen gericht op een duurzame inzetbaarheid worden ontmoedigd. De minister wil voorkomen dat mensen te lang in een zwaar beroep werkzaam zijn en hierdoor versleten raken.

Meer principieel stelt Koolmees dat het koppelen van de AOW-leeftijd aan een arbeidsverleden van 45 jaar geen begaanbare weg is en ook haaks staat op het karakter van de AOW. Hij onderbouwt dit door erop te wijzen dat de AOW een volksverzekering is die voor iedere oudere een basisvoorziening biedt afhankelijk van het aantal jaren dat men in Nederland heeft gewoond en verzekerd is geweest. Het arbeidsverleden speelt hierbij geen rol en wordt daarom in het kader van de AOW niet bijgehouden. Pas sinds 1998 wordt ten behoeve van de werknemersverzekeringen (WW, ZW en WIA) het feitelijke arbeidsverleden van werknemers geregistreerd. Daarbij worden niet gewerkte jaren waarin iemand een volledige WIA- of WAO-uitkering ontvangt wel tot het arbeidsverleden gerekend. Er vindt geen registratie plaats op sectorniveau. De minister concludeert dan ook dat het op dit moment niet mogelijk is om op een beheersbare en objectieve wijze een arbeidsverleden van 45 jaar vast te kunnen stellen. Daarbij komt volgens hem dat werknemers in de sector Bouw & Infra na 45 jaar voldoende pensioen hebben opgebouwd voor een flexibele pensionering via de tweede pijler. Zijn conclusie is dat hij in het pleidooi van de cao-partijen Bouw & Infra de uitvoeringstechnische en inhoudelijke beperkingen uit 2009 ziet terugkomen zonder oplossing.

Hij geeft aan dat het kabinet inzet op het voor iedereen mogelijk maken om op een gezonde wijze door te werken tot de AOW-leeftijd. Dit vraagt om inspanningen van alle betrokken partijen, waaronder werkgevers, werknemers en overheid. Koolmees acht het daarbij van belang dat cao-afspraken zich richten op de wijze waarop we duurzame inzetbaarheid gaan realiseren.

Commentaar

Op zich een bijzonder pleidooi van werkgevers en vakbonden gezamenlijk. En zonder meer een sympathieke poging om iets te doen voor de zware beroepen. Zoals Koolmees al aangeeft is de definitie van een zwaar beroep lastig te geven. Een arbeidsperiode van 45-jaar waarna het pensioen ingaat, is wel een objectief gegeven, mits dit geldt voor iedereen.

Maar Koolmees maakt terecht het punt dat het karakter van de AOW er nu juist voor zorgt dat het arbeidsverleden niet relevant is. Ook iemand die zijn gehele leven in Nederland woont en nooit een jaar arbeid heeft verricht, krijgt een volledige AOW. En dat staat inderdaad haaks op een regeling waarin de AOW voor iemand met 45 werkzame jaren vervroegd mag ingaan.

Een oplossing is wellicht om niet aan te knopen bij de AOW, maar bij het aanvullende pensioen in de tweede pijler. Zoals Koolmees aangeeft, kennen we daarin al wel de mogelijk om het pensioen eerder in te laten gaan. Als we de actuariële korting, zoals nu is voorgeschreven in artikel 18a, zesde lid Wet LB 1964, schrappen voor werknemers met ten minste 45 dienstjaren komt dit (voor een deel) tegemoet aan de wensen van de cao-partners Bouw & Infra. Als we de daarmee gepaard gaande kosten verdelen over het totale bestand, is daarvoor slechts een geringe premieopslag nodig. En het stimuleert werknemers om ten minste 45 dienstjaren vol te maken. Iets om over na te denken?

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Antwoord op Kamervragen van Van Kent.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 31 mei 2018.