Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Koolmees wil af van wettelijk voorgeschreven modellen UPO en Pensioen 1-2-3

Koolmees wil af van wettelijk voorgeschreven modellen UPO en Pensioen 1-2-3

5 februari 2020

Maar wil geen UPO dat deelnemer afdwingbare rechten geeft

Op 31 januari 2020 stuurde minister Koolmees (SZW) een tweetal brieven aan de Tweede Kamer. N.a.v. de evaluatie van de Wet pensioencommunicatie vindt hij het niet langer nodig om pensioenuitvoerders wettelijk voor te schrijven de standaardmodellen voor de Pensioen 1-2-3 en het UPO te gebruiken. Een UPO die deelnemers afdwingbare rechten geeft, is volgens hem geen oplossing voor fouten in de aanspraken of uitvoering.

Aanbiedingsbrief evaluatie Wet pensioencommunicatie

In de eerste brief gaat Koolmees aan de hand van de evaluatie van de Wet Pensioencommunicatie in op de vraag of de wet- en regelgeving bijdraagt aan een goede informatievoorziening die de deelnemer niet alleen een gevoel van zekerheid biedt, maar ook bijdraagt aan het voorkomen van teleurstellingen. En hoe deze mogelijk verbeterd kan worden.

De Wet pensioencommunicatie wijzigde per 1 juli 2015 de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Bij de totstandkoming zegde de minister de Kamer toe de wet drie jaar na inwerkingtreding te evalueren.

Volgens Koolmees is het belangrijkste doel van pensioeninformatie steeds geweest dat de deelnemer kan nagaan of er bij pensionering voldoende inkomen zal zijn voor behoud van de levensstandaard. Pensioeninformatie moet de deelnemer handelingsperspectief geven, geeft de minister daarbij aan. Om deze doelstellingen te bevorderen, formuleerde hij destijds vier beleidsdoelstellingen en voerde hij zes beleidsinstrumenten in. 

De deelnemer;

  • weet hoeveel pensioen hij kan verwachten;
  • kan nagaan of dat voldoende is;
  • is zich bewust van de risico’s van zijn of haar pensioen; en
  • krijgt inzicht in de keuzemogelijkheden.

 

Uit de evaluatie blijkt dat ongeveer de helft van de deelnemers aangeeft dat zij weten wanneer zij met pensioen kunnen gaan en hoeveel zij ongeveer kunnen verwachten. Ongeveer een derde van de deelnemers geeft expliciet aan dit niet te weten. Deelnemers ervaren www.mijnpensioenoverzicht.nl als het meest nuttig. Het UPO draagt in mindere mate bij aan het bereiken van de beleidsdoelen en het Pensioen 1-2-3 doet dit nagenoeg niet. De pensioenuitvoerders geven aan zich te kunnen vinden in de vier genoemde beleidsdoelen, maar vinden de eigen, bovenwettelijke bronnen, zoals de mijnomgeving effectiever dan de wettelijke instrumenten.

Koolmees geeft in de brief aan niets te willen veranderen aan de inhoud van de verplicht te verschaffen informatie. Het blijft verplicht om jaarlijks een pensioenoverzicht aan te maken met de huidige verplichte inhoud. De informatie over het ouderdoms-, nabestaanden- en/of arbeidsongeschiktheidspensioen blijft hetzelfde. Hij wil de pensioenuitvoerders echter ruimte geven in de manier waarop zij informatie moeten verschaffen. Daarbij wil hij dat pensioenuitvoerders effectiever worden in de manier waarop zij deze verplichte informatie aan de deelnemers geven. De minister vindt het daarom niet langer nodig om pensioenuitvoerders wettelijk voor te schrijven de standaardmodellen voor de Pensioen 1-2-3 en het UPO te gebruiken. Pensioenuitvoerders mogen de jaarlijkse verplichte informatie doen in een vrije vorm, die beter aansluit op de kenmerken en behoeften per doelgroep.

Kwaliteit pensioenadministraties

De tweede brief gaat in op de kwaliteit van pensioenadministraties bij pensioenuitvoerders. Dit naar aanleiding van een verzoek van het Tweede Kamer lid Van Brenk (50plus), een toezegging van de minister in het AO pensioenonderwerpen en berichtgeving door Nieuwsuur. Koolmees benadrukt dat het op orde zijn van pensioenadministraties en de juiste informatievoorziening aan deelnemers belangrijke onderwerpen zijn. Door de pensioensector zijn al verschillende initiatieven in gang gezet. Desalniettemin blijft volgens Koolmees aandacht voor deze onderwerpen van belang en is er ruimte voor verbetering. Hij geeft daarbij aan dat incidenten helaas voorkomen en aangegrepen moeten worden om de pensioenadministratie constant te verbeteren. De overstap naar een nieuw pensioenstelsel is volgens de minister een kans om de pensioenadministraties zo nodig op orde te brengen. Daarnaast moet bij de inrichting van het nieuwe stelsel zorgvuldig gekeken worden naar de gevolgen voor de uitvoerbaarheid.

De impact voor individuele deelnemers kan groot zijn als pensioenadministraties niet op orde zijn en incidenten niet tijdig worden herkend. Met de Kamer onderstreept Koolmees daarom het belang van adequate pensioenadministraties. Werkgevers en werknemers sluiten immers een pensioenregeling af en beleggen de uitvoering daarvan bij pensioenuitvoerders, met het doel om na pensionering het pensioen te realiseren dat is toegezegd. De kwaliteit van pensioenadministraties mag daaraan volgens hem geen afbreuk doen.
Hij geeft aan dat het belangrijk is dat pensioenuitvoerders onderzoeken welke risico’s er bestaan in de eigen pensioenadministraties en welke maatregelen nodig zijn om deze risico’s te beheersen.

Fouten in de aanspraken of uitvoering blijken helaas voor te komen. Het is daarom volgens de minister van belang dat pensioenuitvoerders zo veel mogelijk de oorzaken van fouten wegnemen en de gevolgen daarvan beheersen. De oplossing daarvoor is naar het oordeel van Koolmees echter niet een UPO dat deelnemers afdwingbare rechten geeft, zoals verzocht door het Kamerlid Omtzigt (CDA) in diverse moties. Koolmees acht het niet wenselijk dat als een deelnemer bij een pensioenfonds volgens het UPO meer zou hebben opgebouwd dan waar deze volgens de pensioenregeling recht op heeft, dit op basis van een afdwingbaar recht ten koste zou gaan van de overige deelnemers in het collectief. Anderzijds hoeft het collectief ook geen voordeel te genieten van te weinig uitgekeerd pensioen.

Koolmees geeft de volgende oplossingsrichtingen aan die hij met de sector besprak en waarop de sector commitment gaf;

  • Pensioenuitvoerders rekenen, op eerste verzoek van de deelnemer, gewezen deelnemer, of pensioengerechtigde, volledig en verifieerbaar voor hoe de berekening van de bedragen tot stand is gekomen. Voor degene die behoefte heeft aan deze extra, vaak technische informatie, staat de pensioenuitvoerder klaar. Als de komende jaren blijkt dat dit onvoldoende gebeurt, beziet Koolmees of nadere wetgeving nodig is.
  • Pensioenuitvoerders stellen, voor zover zij dit nog niet hebben, een terugvorderings-/correctiebeleid op, dat rekening houdt met de belangen van de getroffen pensioengerechtigden. Dit beleid is redelijk in verhouding tot de pensioenregeling en billijk, gegeven de omstandigheden van het geval. Pensioenuitvoerders maken dit beleid openbaar, zodat dit beleid hen bindt.
  • Pensioenuitvoerders die dit nog niet hebben, stellen een interne klachtenprocedure op die recht doet aan het belang van de klager. Dit betekent dat deze procedure uitgaat van wat redelijk en billijk is tegenover de individuele deelnemer of pensioengerechtigde. Dit individuele belang moet het niet zonder meer afleggen tegen het collectieve belang. Pensioenuitvoerders zorgen er voor dat hun klachtenprocedure goed vindbaar is en geven een goed vindbare verwijzing naar de Ombudsman Pensioenen.

 

De minister sluit af met de constatering dat hij verwacht dat met de inzet van sector en toezichthouder de pensioenadministraties van pensioenuitvoerders een volgende kwaliteitsverbetering zullen doormaken. Maar, zo voegt hij er aan toe, tegelijk onderstrepen de complexiteit van de bestaande pensioenadministraties en de risico’s op fouten die daarmee gepaard gaan, het belang om over te gaan op een nieuw, eenvoudiger en transparanter pensioenstelsel. Het is volgens hem aan alle partijen die bij de uitwerking van het pensioenakkoord betrokken zijn, waaronder hijzelf, om toe te zien op de uitvoerbaarheid en kosten van het nieuwe stelsel en de transitie daar naartoe.

Commentaar

De geschiedenis leert dat het bij de informatievoorziening over pensioenen een constante strijd is tussen enerzijds volledigheid en vergelijkbaarheid en anderzijds begrijpelijkheid en leesbaarheid. De balans sloeg vaak door naar volledigheid en vergelijkbaarheid. Hierdoor ontstonden informatiedocumenten van grote omvang met niet altijd voor iedereen begrijpelijke teksten. Minister Koolmees gooit het nu over een andere boeg. Hij verandert niets aan de inhoud van de verplichte informatie, maar wel aan het format waarin de pensioenuitvoerder deze mag geven. Dat mag de pensioenuitvoerder voortaan zelf bepalen. En dat komt de effectiviteit waarschijnlijk zeer ten goede. Wat dat betreft kan met name de Europese regelgever hier een voorbeeld aan nemen. Europese informatievoorschriften zijn vaak tot in detail geregeld. Zowel ter zake van de inhoud, waar vaak sprake is van letterlijk voorgeschreven verplichte teksten, als ter zake van het format, tot aan een voorgeschreven puntgrootte van het lettertype aan toe. Een goed voorbeeld hiervan is de Europese verordening voor de PEPP. De voorschriften waaraan het ‘key information document’ moet voldoen zijn uitgebreid, gedetailleerd en dwingend voorgeschreven. Dat levert naast extra kosten ook op dat weinig consumenten ze in zijn geheel zullen lezen. En dat kan toch niet de bedoeling zijn. Minister Koolmees vindt met deze nieuwe benadering een goed evenwicht tussen deelnemer bescherming, (kosten)efficiency en eigen verantwoordelijkheid van de pensioenuitvoerders.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis  

Bron: Aanbiedingsbrief evaluatie Wet pensioencommunicatie en Kamerbrief Kwaliteit pensioenadministraties, 31 januari 2020.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 4 februari 2020.