Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Korting AOW voor kind EEG-ambtenaar niet discriminatoir

24 juli 2019

Een kind van een Nederlandse ambtenaar bij de EEG in Brussel wordt gekort op haar AOW over haar woonperiode in Brussel. Zij is niet verglijkbaar met gezinsleden van door Nederland uitgezonden diplomaten.

Korting AOW-uitkering

K is geboren in 1950 en heeft de Nederlandse nationaliteit. Vanaf 1959 woont zij in Brussel vanwege het werk van haar vader als ambtenaar voor de destijds geheten Europese Economische Gemeenschap (EEG), nu de Europese Unie (EU). Sinds 1972 woont K weer in Nederland.

De Sociale verzekeringsbank (Svb) kent K vanaf 2015 een AOW-pensioen toe ter grootte van 86% van de maximale AOW-uitkering. Daarbij heeft de Svb in aanmerking genomen dat K niet verzekerd is geweest voor de AOW in de periode van 1965 tot en met 14 juli 1972. Dit besluit laat de Svb aan K weten op 27 november 2014.

K gaat in bezwaar en – wanneer zij geen gelijk krijgt bij de Svb – in beroep en hoger beroep tegen de korting van haar AOW-uitkering.

Discriminatie gezinsleden EEG-ambtenaar?

K is van mening dat er sprake is van ongeoorloofd onderscheid ten opzichte van kinderen van Nederlandse diplomaten en militairen woonachtig in het buitenland. Die kinderen ondervinden geen korting op hun AOW-uitkering. Volgens K vertoont haar positie veel overeenkomsten met die kinderen, zodat hun gevallen vergelijkbaar zijn. En is er geen objectieve rechtvaardiging voor het verschil in behandeling.

Volgens de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) komt K niet in aanmerking voor een volledige AOW. Op grond van artikel 6 van de AOW zijn ingezetenen in Nederland verzekerd voor de AOW. In verschillende Besluiten wordt uitbreiding gegeven aan deze hoofdregel. Ten tijde van het geding waren de Besluiten van 17 januari 1963 (Stb. 1963, 24) en van 18 oktober 1968 (Stb. 1968, 575) van kracht. K kan volgens de Raad aan artikel 6 van de AOW en de genoemde Besluiten geen verzekering voor de AOW kan ontlenen.

Met het beroep van K op discriminatie maakt de Raad korte metten omdat er volgens de Raad geen sprake is van gelijke situaties. De Raad motiveert dit als volgt:

Algemeen en internationaal gebruikelijk uitgangspunt bij uitgezonden diplomaten is dat zij (en hun gezinsleden) onder het socialeverzekeringsstelsel van de zendstaat blijven vallen. Hieraan ligt de wens ten grondslag te verzekeren dat diplomatiek personeel onafhankelijk en doelmatig kan functioneren. Diplomaten dienen terug te kunnen vallen op de sociale bescherming van de mogendheid waar zij voor werken, evenals hun inwonende gezinsleden. Van belang is hierbij geacht dat samenwonende gezinsleden onder hetzelfde nationale stelsel vallen als de uitgezonden diplomaat. Tevens wordt hierdoor samenloop van verzekeringsstelsels voorkomen.” De Raad verwijst hierbij naar de conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad van 18 oktober 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1101 en de uitspraak van de Raad van 15 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1434).

Verder geeft de Raad aan dat personen die gaan werken voor een zelfstandige supranationale of internationale organisatie, zoals de EU, in het algemeen juist vallen onder de sociale bescherming van deze organisatie, zodat deze organisatie onafhankelijk en doelmatig kan functioneren en de daar werkzame personen een gelijke sociale bescherming genieten. Van ongelijke behandeling van gelijke gevallen is in het geval van K dan ook geen sprake, aldus de Raad.

Commentaar

Zoals de Raad aangeeft in haar motivering hebbe supranationale organisaties, zoals de EU (en voorheen de EEG) een eigen sociale en fiscale regelgeving zodat zij onafhankelijk kunnen functioneren. En de daar werkzame personen een gelijke sociale behandeling genieten. Of dit betekent dat K vanaf haar 15e ook een met de AOW vergelijkbare ouderdomsuitkering opbouwde is twijfelachtig. Zij had echter bij terugkomst in Nederland in 1972 zich vrijwillig kunnen verzekeren voor de AOW over de periode vanaf haar vijftiende verjaardag. Dit heeft zij niet gedaan, ondanks dat er tot twee keer toe een generaal pardon is gehanteerd om dat die mogelijkheid van vrijwillige verzekering toen nog niet bekend was. Daardoor had K nog tot 1976 de mogelijkheid gehad om alsnog gebruik te maken van de vrijwillige verzekering.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 26 juli 2019

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bronnen: Centrale Raad van Beroep, 18 juli 2019