Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Korting WW met prepensioen; vertrouwensbeginsel?

2 mei 2016

X doet beroep op het vertrouwensbeginsel om te voorkomen dat zijn WW-uitkering gekort wordt met zijn prepensioenuitkeringen. Hij overtuigt de rechtbank en Centrale Raad van Beroep niet dat uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk een toezegging is gedaan.

Prepensioen en WW

Na ontslag bij zijn laatste werkgever krijgt X met ingang van 1 oktober 2012 een WW-uitkering. Met ingang van maart 2013 gaat zijn prepensioen in. Dit prepensioen bouwde X op in een eerder dienstverband, voorafgaand aan het dienstverband op grond waarvan hij de genoemde WW-uitkering ontvangt.

Op 4 april 2013 deelt het Uwv de heer X mee dat het prepensioen zal worden ingehouden op zijn WW-uitkering. X maakt bezwaar tegen dit besluit. Volgens hem deed het Uwv hem een toezegging. Hij mocht hij erop vertrouwen dat zijn prepensioen zijn WW-uitkering niet zou korten. Het Uwv verklaart het bezwaar van X ongegrond. En ook de rechtbank
geeft X geen gelijk.

De rechtbank: “Niet in geschil is dat het prepensioen van appellant op grond van de regelgeving in mindering dient te worden gebracht op zijn WW-uitkering. In geschil is alleen de vraag of het Uwv daarvan op grond van het vertrouwensbeginsel had dienen af te zien.“

Vertrouwensbeginsel

Volgens de rechtbank is de telefonische mededeling van medewerkers van het Uwv op 7 augustus 2012 niet aan te merken als concrete toezeggingen, gedaan door of namens het tot beslissen bevoegde bestuursorgaan. X vroeg het Uwv op 22 maart 2013 nogmaals of zijn prepensioen zou worden gekort op zijn WW-uitkering. Volgens de rechtbank blijkt hieruit dat van een ondubbelzinnige toezegging geen sprake was.

De rechtbank vindt verder dat X niet aantoonde dat zijn werkcoach hem een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging deed. Een toezegging op grond waarvan hij de verwachting kon hebben dat zijn prepensioen niet in mindering zou worden gebracht op zijn WW-uitkering. Het beroep van X op het vertrouwensbeginsel faalt, aldus de rechtbank.

Ook de Centrale Raad van Beroep (CRvB) geeft X geen gelijk. De CRvB: ” Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt.”

Degene die een beroep doet op het vertrouwensbeginsel moet bewijzen dat hem zulke toezeggingen zijn gedaan. En dat kon X niet. Tijdens de zitting erkende X dat hij de telefonisch aan hem gedane toezeggingen van medewerkers van het Uwv op 7 augustus 2012 niet kon bewijzen. Zijn beroep op het vertrouwensbeginsel beruste alleen nog op de door hem gestelde toezeggingen, die zijn werkcoach zou hebben gedaan tijdens een gesprek op
24 januari 2013.

Commentaar

In ons bericht “Hoe staat het met: korting pensioenuitkering op WW” van 12 augustus 2015 leest u wanneer een (pre)pensioenuitkering niet gekort wordt op de WW-uitkering. Dit is bijvoorbeeld het geval:

  • voor zover de uitkeringsgerechtigde een deeltijdpensioen ontving vóór het intreden van de werkloosheid en dat deeltijdpensioen samenhangt met een eerder verlies van arbeidsuren,
  • wanneer het ouderdomspensioen voortvloeit uit een parallelle dienstbetrekking ten opzichte van de dienstbetrekking waaruit de betrokkene werkloos is geworden. Dan hoeft deze niet verrekend te worden met de WW-uitkering of
  • voor ouderdomspensioen dat al werd ontvangen voorafgaand aan de dienstbetrekking waaruit de betrokkene werkloos is geworden

 

Met betrekking tot de eerste uitzondering op korting van de WW-uitkering beschreef minister Asscher (SZW) in 2014 in een aantal voorbeelden wanneer prepensioen wel en niet gekort wordt op de WW-uitkering. De vaste commissie voor SZW vroeg hem daarom. Lees hier de voorbeelden.

Het pensioen dat X ontving viel niet onder deze uitzonderingen. In zijn bezwaar richtte hij zich hier ook niet op. Hij probeerde met een beroep op het vertrouwensbeginsel de korting te voorkomen. Volgens hem had het Uwv hem de indruk gegeven dat zijn WW-uitkering niet zou worden gekort met zijn prepensioenuitkering. Hij voldeed niet aan de zware bewijslast die de rechter en Raad hiervoor eist: X overtuigde de rechtbank en Centrale Raad van Beroep niet dat hem uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk een toezegging is gedaan.

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bron: Centrale Raad van Beroep, 26 april 2016

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 2 mei 2016