Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Kosten AOW hoger dan kosten aanvullend pensioen

2 september 2015

Alle westerse landen worstelen vanwege de vergrijzing met de betaalbaarheid van hun pensioenen. Nederland neemt internationaal een bijzondere positie in vanwege het enorme pensioenvermogen. Sommige landen bouwen niet of nauwelijks reserves op. In die landenzijn de lopende pensioenkosten nu al twee maal zo hoog als in Nederland. Voor de AOW bouwen wij geen reserves op. Volgens nieuwe berekeningen van het CBS is hiervoor echter meer geld nodig dan voor het aanvullend werknemerspensioen.

Vergelijkingen van het CBS

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) publiceerde als bijdrage aan de nationale pensioendiscussie een vergelijking tussen de Algemene Ouderdomswet (AOW) en het aanvullend werknemerspensioen. En een vergelijking tussen de Nederlandse situatie en die in andere landen. 

Aanspraken op AOW en op werknemerspensioen

In 2014 bedroegen de uitgaven voor de AOW 34 miljard euro. Terwijl de uitgaven sinds 2008 met meer dan een kwart stegen, daalden de premie-inkomsten. De ontvangen premies dekten in 2014 slechts 69% van de AOW-uitgaven. Het tekort wordt aangevuld uit belastinginkomsten.

In lijn met nieuwe internationale richtlijnen berekende het CBS de waarde van aanspraken op AOW: het bedrag dat nodig is om aan de huidige aanspraken te voldoen. Of te wel de contante waarde van de verwachte AOW-uitkeringen. Het CBS becijfert de AOW-aanspraken voor eind 2013 op 1.356 miljard euro, oftewel 208% van het bbp. De aanspraken liggen daarmee ver boven die van het aanvullend werknemerspensioen, die voor eind 2013 uitkwamen op 157% van het bbp. 

Nederland in internationaal perspectief

In Europa bestaat een grote verscheidenheid aan pensioensystemen. Ongeveer 80% van de uitbetaalde pensioenen financieren landen in Europa op basis van een omslagstelsel. De grotere Europese landen zoals Frankrijk, Duitsland, Italië en Spanje baseren hun pensioenen zelfs vrijwel volledig op een omslagstelsel. Door de vergrijzing nemen de pensioenlasten de komende jaren overal in Europa toe, maar het sterkst in de landen die alleen een omslagstelsel hebben. 

 

 

Onder andere de verplichtstelling van pensioenregelingen voor bepaalde groepen werknemers zorgt voor een erg hoge participatiegraad in Nederlandse situatie. Ongeveer 90% van de werknemers neemt deel aan een pensioenregeling. Veel werknemers ontvangen na hun pensionering een redelijk inkomen. Het zogeheten ‘vervangingspercentage’ van werknemers in de eerste (AOW) en tweede (pensioen) pijler tezamen, het bruto-inkomen ná in verhouding tot dat van vóór pensionering, is naar internationale maatstaven hoog. De OESO berekent voor Nederland een bruto-vervangingspercentage van 91% terwijl het gemiddelde van de 34 OECD-landen ligt op 54%.

 

bruto vervangingspercentage 2014 modale inkomens

 

Een ander onderscheidend punt van het Nederlandse stelsel is de wijze waarop de aanspraken zijn geregeld. In Nederland zijn de meeste pensioenregelingen gebaseerd op een klassieke defined benefit regeling (DB).  

 

Type pensioenfonds DC (%) DB (%)
Ondernemingspensioenfonds 2,4 97,6
Beroepspensioenfonds 22,7 77,3
Collectief pensioenverzekering 24,8 75,2

 

Tabel 1 Type pensioenregeling (aantallen regelingen), ultimo 2014

 

De laatste jaren komen er steeds meer DC-regelingen. Het aandeel van DC in Nederland bedraagt momenteel 5%. In 2004 was dit slechts 1%. Gedurende de laatste tien jaar groeide het vermogen van het DC-systeem van de zeven grootste pensioenlanden (“P7” in onderstaande tabel) met 8% per jaar, terwijl de DB-overeenkomsten slechts groeiden met 4% per jaar. Met name landen als Australië en de Verenigde Staten kennen veel DC-overeenkomsten.

 

type aanspraak 2014

 

Conclusie

Door de verder toenemende vergrijzing groeit  het aantal gepensioneerden ten opzichte van het aantal werkenden steeds verder. Dit is vooral een probleem wanneer een groot deel van de pensioenuitkeringen uit de lopende middelen moet worden betaald. In Nederland geldt dit, in tegenstelling tot veel andere landen, alleen voor de AOW. Nederland is veel beter af dan de vele landen die voor hun aanvullende pensioen weinig of geen reserves hebben opgebouwd. Dit leidt in deze landen tot hogere loonkosten of hogere overheidsuitgaven met mogelijk een stijgende overheidsschuld tot gevolg. De lopende pensioenkosten zijn in Oostenrijk en Italië nu al twee maal zo groot als in Nederland. Het probleem van het ontbreken van reserves betreft in Nederland alleen het staatspensioen, de AOW. Daarmee is het nog geen klein probleem: de totale AOW-aanspraken, nu voor het eerst becijferd, blijken nog hoger te liggen dan die voor het aanvullend werknemerspensioen. Hierbij past wel de kanttekening dat de hoogte van die berekende aanspraken – net als bij het aanvullend werknemerspensioen – omhooggestuwd wordt door de lage rente. Wat er uiteindelijk uitgekeerd moet worden, kan lager blijken te zijn.

 

Auteur:  Erik Schouten, internationaal adviseur Aegon Adfis
Bron: CBS, Totale pensioenaanspraken van Nederland in beeld: AOW vergt meer geld dan aanvullend pensioen, 02-2015