Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Kosten indexering na premievrijmaking voor rekening van de werkgever

21 juni 2016

Een werkgever wijzigt van pensioenuitvoerder. Opgebouwde aanspraken blijven achter bij de oude pensioenuitvoerder. Volgens het gerechtshof blijven de indexatielasten van de achtergebleven deelnemers voor rekening van de werkgever.

De kwestie

Werkgever B&S is gedispenseerd voor verplichte deelname van zijn werknemers aan het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Groothandel in Levensmiddelen (Bpf). B&S bracht zijn pensioenregeling onder bij ASR (en voorgangers). De pensioenaanspraken zijn geïndexeerd. De indexatie is minimaal gelijk aan de indexatie van het Bpf. B&S financiert de indexatie uit het overrentedepot of uit aanvullende koopsommen.

Artikel 19 van het Pensioenreglement van B&S schrijft hierover het volgende:

1. De opgebouwde pensioenen van gewezen deelnemers en de ingegane pensioenen zullen per de eerste januari van elk jaar worden geïndexeerd.

2. Maatstaf voor de indexatie is de rentewinst, voortvloeiende uit de met AMEV Leven overeengekomen regeling inzake rentewinstdeling, welke kan worden toegerekend aan bedoelde pensioenen. Het indexatiepercentage is ten hoogste gelijk aan het percentage waarmee het consumentenprijsindexcijfer alle huishoudens, totaal, voor de maand oktober van het jaar voorafgaande aan het indexatietijdstip wijzigt ten opzichte van het indexcijfer voor de maand oktober van het daaraan voorafgaande jaar. Het indexatiepercentage wordt normaal afgerond op 2 decimalen.

3. Indien de totale beschikbare overrente daartoe ontoereikend is, zal de werkgever uit eigen middelen indexeren tot aan het percentage waarmee het bedrijfspensioenfonds haar pensioenen indexeert.

4. Het indexatiepercentage is ten minste gelijk aan het indexatiepercentage waarmee het bedrijfspensioenfonds haar pensioenen indexeert.

B&S besluit om de pensioenregeling met ingang van 1 januari 2006 onder te brengen bij een andere uitvoerder. Bij ASR blijven achter de pensioenen van de reeds gepensioneerden, diegenen die niet meer voor B&S werkzaam zijn (de slapers) en de pensioenaanspraken van oudere werknemers. Op 1 januari 2006 was het saldo van het overrentedepot negatief. ASR indexeert in 2006 de rechten van de achtergebleven deelnemers volgens het pensioenreglement en brengt de kosten hiervoor aan B&S in rekening. Tevens vordert ASR dat B&S de indexatie per 1 januari 2008 ook betaalt aan ASR dan wel elders verzekert. B&S weigert de gevorderde koopsommen te voldoen.

Gerechtshof Amsterdam

Volgens B&S volgt uit de beëindigingsovereenkomst dat de in 2003 gesloten verzekeringsovereenkomst eindigde. Partijen hebben met betrekking tot de gewezen werknemers van B&S jegens elkaar geen verplichtingen meer uit die overeenkomst. Volgens B&S betekent 'premievrij' dat er ook geen koopsommen meer verschuldigd zijn. En dat het pensioenreglement niet van toepassing is op de relatie tussen ASR en B&S. Immers uit artikel 25 lid 1 van de Pensioenwet vloeit voort dat in de beëindigingsovereenkomst moet worden opgenomen op welke wijze de toeslagen (indexering) van de achtergebleven pensioenafspraken gefinancierd worden. De beëindigingsovereenkomst bepaalt dat de toeslagen worden gefinancierd uit de overrente. Dus B&S mocht er van uitgaan dat daarmee de financiering van de toeslagen was geregeld en dat de verplichtingen opgenomen in het pensioenreglement waren komen te vervallen.

Het hof oordeelt als volgt. De verzekeringsovereenkomst 2003 en de beëindigingsovereenkomst kwamen tot stand onder de werking van de Pensioen- en Spaarfondsenwet (PSW). Het begrip “pensioenreglement” kent onder de PSW een bredere strekking dan onder de PW. De pensioentoezeggingen in dit reglement vormen de basis voor de uitvoeringsovereenkomst in de vorm van de verzekeringsovereenkomst 2003 en de beëindigingsovereenkomst. Het pensioenreglement is dus volgens het hof weldegelijk van toepassing op de relatie tussen ASR en B&S.

De beëindigingsovereenkomst wijzigde de rechten van de (achtergebleven) deelnemers niet. Zij hebben dus ook na premievrijmaking recht op indexering van de opgebouwde aanspraken. Deze moeten volgens het pensioenreglement worden voldaan uit het overrente depot dan wel door aanvullende koopsommen van B&S. Het hof oordeelt dat een pensioenovereenkomst niet is ‘uitgewerkt’ bij het ingaan van het pensioen en/of het stoppen van premiebetalingen, maar pas bij het stoppen van de betalingen van de pensioenuitkering. Daarom blijft B&S gehouden tot financiering van de toeslagen uit koopsommen ingeval de overrente ontoereikend is.

Commentaar

Volgens B&S heeft het pensioenreglement geen invloed op de relatie tussen de werkgever en de uitvoerder. Als dat al zo zou zijn, dan is de gevolgtrekking van B&S op zijn zachts gezegd vreemd, dat zij door beëindiging van de uitvoeringsovereenkomst ook ontslagen zou zijn van verplichtingen uit het pensioenreglement. Waar blijft dan de plicht om opgebouwde aanspraken te indexeren? Als deze naar de uitvoerder gaan – zoals B&S stelt – dan zou het wijzigen van de uitvoering van een pensioenovereenkomst voor de werkgevers wel zeer interessant worden. Gelukkig vindt het hof ook dat na wijziging van de uitvoeringsovereenkomst de deelnemers m.b.t. hun opgebouwde rechten aanspraken op toeslagen blijven behouden en dat de lasten daarvoor voor rekening van de werkgever komen.

De pensioenregeling en de beëindigingsovereenkomst vielen onder de PSW. In 2006 is de PW ingevoerd. In die wet zijn de juridische stukken met betrekking tot een pensioen anders ingevuld. In de pensioenovereenkomst komen werkgever en werknemer overeen: het karakter van de regeling, toeslagen en eventueel betalingsvoorbehoud. De werkgever sluit te uitvoering van de pensioenovereenkomst een uitvoeringsovereenkomst met de pensioenuitvoerder. De pensioenuitvoerder stelt ten behoeve van de deelnemers een pensioenreglement vast. Dit regelement is in overeenstemming met de pensioenovereenkomst en de uitvoeringsovereenkomst.

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, 24 mei 2016

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 20 juni 2016