Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Kostenegalisatiereserve voor voorwaardelijk pensioen

6 maart 2015

Mag een werkgever die een voorwaardelijk pensioen heeft toegezegd hiervoor een kostenegalisatiereserve vormen? En zo ja, hoe hoog mag deze reserve dan zijn? Deze vragen beantwoordde de Hoge Raad. 

De kwestie 

Tot 1 januari 2006 bestonden voor werknemers van een NV drie vroegpensioenregelingen. Omdat deze regelingen gebaseerd waren op CAO-afspraken, was  er sprake van voorwaardelijke aanspraken. In verband met de Wet Vut, prepensioen en levensloop (Wet Vpl) verviel opbouw van vroegpensioen voor werknemers die geboren zijn na 1 januari 1950. 

Eind 2005 compenseerde de NV  zijn werknemers die geboren zijn  na 1 januari 1950 voor het wegvallen van die toekomstige opbouw van vroegpensioen. In de plaats van vroegpensioen kregen desbetreffende werknemers voorwaardelijke pensioenaanspraken (‘zacht pensioen’) conform het Sociaal Akkoord 2004. De hoogte van het ‘zacht pensioen’ bepaalde X naar de situatie per 31 december 2005. 

Het Sociaal Akkoord 2004 geeft ruimte tot inhaal van pensioen tot en met het jaar 2005. De werkgever kan deze aanspraken uitgesteld financieren. Zolang de inhaalaanspraken niet zijn gefinancierd is sprake van voorwaardelijke aanspraken. In dit geval kwamen partijen overeen dat de financiering van deze aanspraken zou plaatsvinden op de pensioendatum of uiterlijk op 31-12-2020 (15 jaar). 

De NV  had voor het vroegpensioen een reserve gevormd. Hij wilde die passiefpost handhaven omdat het ‘zachte pensioen’ volgens de NV volledig betrekking had op  het verleden.  De inspecteur accepteerde dit niet. Hij vond dat het ‘zachte pensioen’ werd opgebouwd in de periode tussen 2005 en de pensioendatum of 31-12-2020. Want de ‘zachte pensioenaanspraken’ worden alleen uitgekeerd wanneer desbetreffende werknemer op de pensioendatum of 31-12-2020 in dienst van de NV is. In die visie moest de reserve geheel vrijvallen. 

Gerechtshof

Het Hof Haarlem stelt dat de NV het ‘zachte’ pensioen moet toerekenen aan de jaren waarin de werknemers arbeid hebben verricht, mede afhankelijk van de inhoud van de regeling. Omdat het ‘zachte pensioen’ slechts een voorwaardelijk recht op pensioen inhoudt en geen opgebouwd pensioenrecht, kunnen de lasten niet  - net zoals backservice bij onvoorwaardelijk pensioenaanspraken - zonder meer uitsluitend worden toegerekend aan reeds verstreken diensttijd. 

Wel staat goed koopmansgebruik toe een voorziening te vormen vanaf het moment waarop de redelijke verwachting bestaat dat de uitgaven gedaan zullen worden. Gezien de inhoud van de regeling stelde het Hof dat deze periode liep van de toezegging van het eerdere vroegpensioen tot de pensioendatum. Op basis van dit uitgangspunt moest  de NV een groot deel van de voorziening   afwaarderen.  

Hoge Raad 

Tegen dit oordeel gaat de NV in beroep. Primair bepleit de NV een toerekening uitsluitend aan de verstreken diensttijd. 

Subsidiair bepleit de NV een systeem waarbij de pensioenlast aan de gehele diensttijd wordt toegerekend, inclusief de jaren tot pensionering. En wanneer  dit korter is, tot en met 2020. 

De Hoge Raad bevestigt echter het oordeel van het Hof. Omdat het’ zachte pensioen’ volledig vervalt bij uitdiensttreding vóór de pensioendatum, staat goedkoopmans gebruik niet toe om  de voorziening volledig toe te rekenen aan de verleden diensttijd en ook niet aan de gehele diensttijd.

Commentaar 

Het is niet onlogisch dat de NV voor de kostenegalisatievoorziening van het ‘zachte pensioen’ uitgaat van de zelfde grondslagen als bij de voorziening van het vroegpensioen. Immers dit waren ook voorwaardelijke aanspraken. En bij de waardering had de NV rekening gehouden met een blijfkans en levenskansen.  Maar het Gerechtshof en de Hoge Raad zijn beide van mening dat goed koopmansgebruik dit bij de voorwaardelijke aanspraken op basis van het Sociaal Akkoord 2004 niet toelaat. Bij deze voorwaardelijke aanspraken moet je ook rekening houden met de toekomstige diensttijd. En mag je kennelijk niet verder terug dan de periode dat het vroegpensioen dan wel VUT werd toegekend. Dat betekent dat werkgevers die een kostenegalisatie willen voor het voorwaardelijk pensioen geen rekening mogen houden met ’backservice‘ als voordien geen rechten op vroegpensioen of VUT bestonden.  

 

Auteur: Paul Lavrijssen Adviseur Aegon Adfis

Bron: Hoge Raad, 27 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:467

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 6 maart 2015