Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Lijfrente heeft geen invloed op de vermogenstoets oudedagsreserve

7 mei 2015

De toevoeging aan de oudedagsreserve (OR) was in 2011 maximaal 12% van de winst, met een maximum van € 11.882. De toevoeging is daarnaast gemaximeerd op het bedrag waarmee het ondernemingsvermogen aan het einde van het kalenderjaar uitkomt boven de oudedagsreserve aan het begin van het kalenderjaar (vermogenstoets). De rechter werd gevraagd of afname van de OR door een lijfrente de vermogenstoets beïnvloedt.  

De cijfers 

X was zelfstandig ondernemer. In 2011 bedroeg zijn winst uit onderneming € 139.718. Begin 2011 bedroeg zijn OR € 11.811. Het eigen vermogen aan het einde van het jaar bedroeg € 16.463.  

In 2011 betaalde X een lijfrentepremie van € 11.803. Deze premie bracht hij in mindering op zijn OR. Hierdoor daalde de stand van de OR naar € 8 (€ 11.811 -/- € 11.803). Daarna voegde X in 2011 een bedrag van € 11.882 (maximum) aan de OR toe. Dat hield in dat de stand van de OR aan het einde van 2011 € 11.890 bedroeg. De inspecteur was het niet eens met de hoogte van deze toevoeging. Hij beriep zich op de vermogenstoets en beperkte de toevoeging tot € 4.652 (= € 16.463 -/- € 11.811). Volgens de inspecteur bedraagt de stand van de OR eind 2011 daarom maar € 4.660.

Rechtbank 

De vraag die de Rechtbank moest beantwoorden was of bij toepassing van de vermogenstoets rekening mag worden gehouden met de afname van de OR door een lijfrente. Met andere woorden kan een ondernemer voor toepassing van de vermogenstoets de stand van de OR aan het begin van het jaar verminderen met een afname van de OR door een lijfrente. De Rechtbank vindt dat de wettekst geen ruimte geeft voor deze opvatting. De wettekst luidt:

Artikel 3.68. Toevoegingen

1. …

2. De op grond van het eerste lid berekende toevoeging bedraagt ten hoogste het bedrag waarmee het ondernemingsvermogen bij het einde van het kalenderjaar de oudedagsreserve bij het begin van het kalenderjaar te boven gaat.

De rechtbank vindt dat je voor de toepassing van de vermogenstoets niet de toevoeging aan de OR (€ 11.882) mag salderen met de afname van de OR door een lijfrente € 11.803

Commentaar 

Kennelijk streefde X naar een aftrek op zijn belastbare inkomen van € 11.882. En kon hij dit resultaat niet behalen door simpelweg een toevoeging te doen aan de OR. Immers door de vermogenstoets wordt de toevoeging beperkt tot € 4.652. 
Een andere manier zou kunnen zijn om gebruik te maken van jaar en/of reserveringsruimte. Maar kennelijk had X ook niet voldoende jaar - en/of reserveringsruimte. Uit de uitspraak blijkt niet of dit kwam doordat X in het voorafgaande jaar te weinig inkomen had dan wel niet in staat was om de jaar – of reserveringsruimte aan te tonen. 

Om nu toch de aftrek te realiseren van € 11.882 liet X de OR eerst afnemen met € 11.803 door het bedingen van een lijfrente. Daardoor ontstond volgens X - ook gezien het ondernemingsvermogen - weer voldoende ruimte om de maximale toevoeging aan de OR te doen. 

De rechtbank was het met X eens dat het doel en strekking van de vermogenstoets ruimte biedt voor de oplossing van X. Doel en strekking van de vermogenstoets is dat de onderneming voldoende vermogen bezit om de “verplichting” uit de OR na te komen door middel van het eigen vermogen van de onderneming. Het lijkt erop dat X hieraan voldoet. Immers in de visie van X bedroeg de stand van de OR eind 2011 slechts € 11.890 terwijl het ondernemingsvermogen €  16.463 bedroeg. 

De  Rechtbank overwoog:

2.11.1. Aan belanghebbende kan worden toegegeven dat vanuit het doel van de vermogenstoets bezien (zie voor dat doel Kamerstukken II 1997/98, 25 690, nr. 3, p. 3 en 5), er geen aanleiding is om de door belanghebbende gewenste toevoeging aan de FOR te beperken op grond van de vermogenstoets. Ook met de gehele door belanghebbende gewenste toevoeging aan de FOR van € 11.882 zou de FOR immers nog steeds lager zijn (€ 11.890) dan het ondernemingsvermogen (€ 16.463).

Ondanks deze overweging vond de rechtbank toch dat de wettekst hier prevaleert. Deze gaat uit van een vergelijking van de stand van OR aan het beging van het jaar en het ondernemingsvermogen aan het eind van het jaar. De wettekst biedt volgens de rechter geen ruimte om de beginstand van de OR voor de vergelijking eerst te verlagen met de afname van de OR door een lijfrente. 

Door de strikte formulering van de wet gaat de vermogenstoets verder dan waarvoor hij bedoeld is. Dat is zuur voor X. Wij zijn benieuwd of deze uitspraak nog een vervolg krijgt in hoger beroep dan wel door een goedkeuring in een besluit van de Staatssecretaris.  

Auteur: Paul Lavrijssen. adviseur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Zeeland - West-Brabant, 26 maart 2015

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 7 mei 2015