Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Lijfrentepolis verliest na uitkering bescherming faillissementswet!

Lijfrentepolis verliest na uitkering bescherming faillissementswet!

10 maart 2020

X vraagt in 2013 zijn faillissement aan. Op 27 juni 2017 is het faillissement opgeheven en is X op eigen verzoek toegelaten tot de wettelijke schuldsanering natuurlijke personen (WSNP). In juli 2017 komt de lijfrenteverzekering van X tot uitkering. X verzoekt de bewindvoerder om deze verzekering buiten de schuldsanering te houden. De bewindvoerder wil de uitkering in de boedel houden ten gunste van de schuldeisers. De rechter-commissaris is het eens met de bewindvoerder. X gaat in beroep.

Is de uitkering van de lijfrentepolis beschermd?

X heeft in 1985 een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule afgesloten met een looptijd van 32 jaar. Voor de uitkering van deze verzekering moet een lijfrente worden aangekocht. De opeenvolgende faillissementscuratoren hebben de levensverzekering tijdens het faillissement niet afgekocht. Na de expiratie op 1 juli 2017 is de uitkering nog niet omgezet in lijfrente. Het eindkapitaal bedraagt €86.660,87 inclusief €23.402,09 aan opgebouwde winstdeling. X geeft aan dat de lijfrenteverzekering is bedoeld voor de oudedagsvoorziening van hem en zijn echtgenote. Hij vraagt de rechter-commissaris of het kapitaal buiten de boedel kan worden gelaten, maar de rechter-commissaris (hierna RC) wees het verzoek af.

X is vervolgens een civiele procedure gestart en de rechtbank gevraagd om de bewindvoerder te veroordelen om medewerking te verlenen aan het omzetten van het lijfrentekapitaal in een lijfrente, waarbij het kapitaal buiten de boedel zou blijven. De rechtbank heeft X niet ontvankelijk verklaard in april 2019. Hierna verzocht X wederom de RC te bepalen dat het opgebouwde kapitaal buiten de boedel kan worden gelaten om het te gebruiken voor een lijfrente als oudedagsvoorziening voor hemzelf en zijn echtgenote.

Bij beschikking van 14 mei 2019 bepaalt de RC dat de geëxpireerde levensverzekeringspolis van X tot de boedel wordt gerekend en dat de gelden die zijn vrijgevallen aan de boedel toekomen. De RC verwijst naar de onderbouwing van de bewindvoerder dat de levensverzekering met lijfrenteclausule van rechtswege tot uitkering komt en dat die uitkering op grond van het bepaalde in artikel 295 Fw in de boedel valt. Er is dan ook geen sprake van afkoop en dus is ook artikel 22a Fw niet meer van toepassing. X gaat in beroep tegen deze beschikking.

Lijfrentekapitaal niet volledig ten gunste van de boedel

X vindt dat het vrijgevallen bedrag uit de polis analoog aan het bepaalde in artikel 22a Fw buiten de boedel moet blijven en dat hij door de beschikking van de RC onredelijk is benadeeld, omdat hij anders naast de AOW geen oudedagsvoorziening zal hebben. De AOW is zonder aanvulling niet voldoende om van te leven en X is te oud om nog een aanvulling op te bouwen. Daarnaast was X door de eerste curator beloofd dat de verzekering vanwege het verzorgingskarakter niet in de boedel zou vallen. De rechtbank neemt de zaak van X in behandeling zonder de zienswijze van de curator in de beoordeling te betrekken.

 X geeft aan dat hij 13 uur per week werkt bij een WSW-bedrijf en zijn inkomen voor het overige wordt aangevuld door de bijstand. Zijn echtgenote is door de gemeente vrijgesteld van de sollicitatieplicht en de rechter-commissaris heeft dit advies gevolgd. Er kan dus geen aanvullende pensioen worden opgebouwd. Deze polis van X heeft een verzorgingskarakter en valt onder de uitzondering genoemd in de wet. X heeft gedurende zijn faillissement uit zijn minimale inkomen wel steeds de premies voor de verzekering betaald. Hierdoor is de uitkering verhoogd met de volledige winstuitkering. Dat is een voordeel voor de crediteuren. Om die reden vindt X dat niet alleen mag worden gekeken naar de tijdens het faillissement betaalde premies, als er een verdeelsleutel wordt toegepast op het kapitaal van de polis tussen hem en de crediteuren. Daarnaast had X voorafgaand aan het faillissement een hoog inkomen van circa € 5.000,00 netto per maand. Volgens de RC zou de volledige lijfrentepolis buiten beschouwing zijn gebleven als X deze tijdig had verlengd, maar X ging er vanuit dat de polis ten tijde van het faillissement ongemoeid zou blijven, daarom heeft hij de polis niet verlengd. 

De bewindvoerder erkent dat de polis bedoeld was als oudedagsvoorziening, maar X heeft verzuimd de polis tijdig om te zetten, zodat deze niet langer valt onder de bescherming van art. 22a Fw. Zij geeft aan het redelijk te vinden als er een verdeelsleutel gezocht wordt, zodat een deel van het kapitaal in de boedel vloeit en een deel kan worden uitgekeerd aan X, waarbij hij zelf een keuze moet maken op welke wijze de polis tot uitkering komt (als een bedrag ineens of als een maandelijkse uitkering). X leeft overigens al sinds 2007 op bijstandsniveau en krijgt naast zijn AOW nog een klein aanvullend pensioen. Ook voorafgaand aan het faillissement was de levenstandaard van X niet zo hoog als hij beweert. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat X meer aan inkomen uit zijn bedrijf heeft opgenomen dan er aan winst werd gegenereerd. 

De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt is dat een schuldenaar met zijn hele vermogen instaat voor zijn schulden en dat in het kader van de afwikkeling van de schuldsanering dat hele vermogen wordt vereffenend, artikel 295 Fw. In de artikelen 295 lid 4 sub c Fw jo. 21 en 22a Fw staat dat het recht van de bewindvoerder op het doen afkopen van levensverzekeringen, indien daardoor de verzekeringnemer onredelijk wordt benadeeld buiten de boedel valt. De RC en de bewindvoerder zijn met X eens dat als de polis de einddatum niet had bereikt, de bescherming van artikel 22a Fw (deels) van toepassing was. De rechtbank is dezelfde mening toegedaan, maar dat leidt niet tot het oordeel dat het hele opgebouwde kapitaal buiten de boedel had moeten blijven indien de polis met toestemming van de rechter-commissaris zou zijn afgekocht. Nu is artikel 22a Fw niet meer van toepassing omdat de looptijd van de levensverzekering al is verstreken. Afkoop is dus niet meer aan de orde en het opgebouwde kapitaal valt in beginsel in de boedel. De vraag is of de bescherming van dit artikel analoog moet worden toegepast in deze situatie.

De rechtbank acht het pertinent onredelijk dat X niet de vruchten mag plukken in de vorm van een analoge toepassing van de bescherming van artikel 22a Fw op dit door hem opgebouwde kapitaal na einde looptijd van de levensverzekering, omdat hij altijd de premie heeft betaald. Omdat X niet volledig van dit kapitaal afhankelijk is, besluit de rechtbank dat een verdeelsleutel met betrekking tot het kapitaal op zijn plaats is, omdat het voor X onredelijk bezwarend is om het kapitaal volledig in de boedel te laten vallen. X krijgt immers bij pensionering nauwelijks meer dan het bestaansminimum. Aan de andere kant moet ook rekening worden gehouden met de belangen van de crediteuren, aangezien X langdurig € 5.000 per maand aan zijn onderneming onttrok waardoor zij benadeeld zijn. De rechtbank bepaalt dat doordat X alle premies heeft betaald een winstuitkering is opgebouwd van 27 procent van het bruto opgebouwde kapitaal. Dat percentage komt toe aan X en 73 procent komt toe aan de boedel.

Commentaar

X maakte op eigen verzoek na zijn faillissement direct gebruik van de WSNP, waardoor al zijn schulden na het doorlopen van de schuldsanering verdwijnen. Hij had er geen rekening mee gehouden dat zijn lijfrentepolis direct na toetreding tot de WSNP tot uitkering kwam. Hierdoor verloor hij de bescherming van de faillissementswet op deze polis. De bescherming is alleen van toepassing op de afkoop van een lijfrenteverzekering, wanneer dit leidt tot onredelijke benadeling van de polishouder. 

X wist dat de polis onder deze bescherming viel. De polis werd tijdens het faillissement niet afgekocht en als hij de polis had uitgesteld tot na de schuldsanering had hij wellicht de gehele uitkering kunnen aanwenden voor een aanvullende uitkering op zijn pensioen. Maar dat heeft hij niet gedaan en X is blijven procederen tot hij zijn gelijk kreeg om de uitkering toch buiten de boedel te houden. Een analoge uitwerking van artikel 22a Fw. Hij heeft hiermee bereikt dat hij inderdaad ruim een kwart van de uitkering mag behouden. Heel coulant, aangezien de uitstaande schuld nog ruim €500.000 bedroeg. Maar goed, X heeft wel de premies doorbetaald tijdens het faillissement.

Auteur: Joanna Hildering, adviseur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Limburg, 21 februari 2020

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 9 maart 2020