Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Lijfrentepremie leidt niet tot lagere premie Zvw

21 juni 2017

Een ondernemer staakt zijn onderneming en bedingt voor de stakingswinst een lijfrente. Hij vindt het niet terecht dat de stakingswinst meetelt als inkomen voor de Zvw omdat hij ook nog premieplichtig is over de lijfrentetermijnen. Wat vindt het Gerechtshof van deze dubbele heffing?

De inkomensafhankelijke Zvw-bijdrage  

De inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekering (Zvw-premie) wordt geheven over het genoten bijdrage-inkomen van een jaar. Bij de bepaling van dat inkomen mag de belastingplichtige volgens de wet geen rekening houden met aftrekposten, zoals lijfrentepremie, hypotheekrente, etc.

De heer X staakte in 2014 zijn onderneming. Hij maakte in dat jaar gebruik van de extra lijfrentepremieaftrek in verband met het staken van die onderneming. De inspecteur stelde het bijdrage-inkomen Zvw vast zonder rekening te houden met de lijfrentepremieaftrek. X vond dat niet terecht want hij moet dan twee keer Zvw-premie betalen. Namelijk over zijn (stakings)winst en over de lijfrentetermijnen. De Rechtbank stelde X in het ongelijk omdat de wetgever de dubbele heffing uitdrukkelijke heeft aanvaard.  

Hof Den Haag

X betoogt dat in de Zvw een ongeoorloofd onderscheid wordt gemaakt tussen werknemers en zelfstandigen. Voor werknemers telt de inhouding van een pensioenpremie of de eigen bijdrage voor pensioen niet mee in het bijdrage-inkomen van de Zvw. Zelfstandigen kunnen alleen een pensioen opbouwen in de lijfrentesfeer. Maar in dat geval is de premie niet aftrekbaar van het bijdrage-inkomen.

Omdat het Hof formele wetgeving niet mag toetsen op haar grondwettigheid of de innerlijke waarde of billijkheid van de wet kan het Hof het standpunt van X over de ongeoorloofde dubbele heffing alleen maar toetsen aan het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarvoor gaat het  Hof uitgebreid in op artikel 1 van het Eerste Proctocol bij het EVRM. Daarbij staat centraal dat er een redelijke verhouding moet zijn tussen het algemeen belang en de individuele rechten van de belastingplichtige. Dit betekent dat de heffing niet tot individuele en buitensporige last mag leiden bij een belastingplichtige.

Het Hof oordeelt dat er inderdaad  sprake is van een ongelijke behandeling tussen zelfstandigen die pensioen opbouwen door middel van een lijfrente en werknemers met pensioenopbouw. Door de wetgever is de “onredelijke” uitwerking bij herhaling onderkend. Volgens het Hof zijn er niet voldoende concrete en gewichtige reden die de ongelijke behandeling zouden kunnen rechtvaardigen. Maar het Hof kan X toch niet in het gelijk stellen. Zij verwijst daarbij naar jurisprudentie van de Hoge Raad die in het kader van de Ziektewet deze ongelijkheid heeft geaccepteerd.

Volgens het Hof is er ook geen sprake van een buitensporige last voor X:

“(...) naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan aannemelijk kan worden geacht dat de aanslag Zvw hem zwaarder treft dan andere verzekerden, hoewel aan belanghebbende moet worden toegegeven dat hij zwaarder wordt belast dan werknemers, omdat van werknemers de uitgaven voor hun pensioenvoorziening niet in de grondslag zijn opgenomen van hun aanslag Zvw. Beslissend is echter de mate waarin belanghebbende is getroffen. Belanghebbende heeft naar het oordeel van het Hof onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan aannemelijk kan worden geacht dat de aanslag Zvw voor hem een buitensporige last vormt.”

Het Hof gaat in het kort nog in op de door X gestelde discriminatie (artikel 14 ERVM) en misbruik van macht (artikel 17 ERVM). Van beiden is volgens het Hof geen sprake in dit geval.

Commentaar

In ons bericht van 13 februari 2017 gingen wij in op de uitspraak van de Rechtbank. De conclusie van he Hof is hetzelfde als die van de Rechtbank. Omdat de wetgever de ongelijke behandeling bewust heeft geaccepteerd kan de rechter deze onbillijkheid kennelijk niet toetsen. Ondanks dat het Hof vindt dat er niet voldoende concrete en gewichtige reden zijn, die de ongelijke behandeling zou kunnen rechtvaardigen. Volgens het Hof is er ook geen sprake  van een buitensporige last in het kader van artikel 1 EP van ERVM. Je kunt je nog afvragen wanneer sprake is van een buitensporige last. Een extra uitgave van 5,5% van het inkomen is dit in de ogen van Hof dus niet.

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Den Haag, 14 juni 2017

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 19 juni 2017.