Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Lijfrentepremie leidt tot lagere premie Zvw

29 november 2018

Een ondernemer staakt zijn onderneming en bedingt voor de opgebouwde oudedagsreserve een lijfrente. Hij vindt het niet terecht dat vrijval van deze reserve meetelt als inkomen voor de Zorgverzekeringswet (Zvw) omdat hij ook nog premieplichtig is over de lijfrente-uitkeringen. De Hoge Raad vindt deze dubbele heffing eveneens onterecht. 

De inkomensafhankelijke Zvw-bijdrage

In ons bericht van 21 juni 2017 gingen we in op de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekering . Deze wordt geheven over het genoten bijdrage-inkomen in een jaar. Bij de bepaling van dat inkomen mag de belastingplichtige volgens de wet geen rekening houden met aftrekposten, zoals lijfrentepremie, hypotheekrente, etc. 

De heer X staakte in 2014 zijn onderneming. Hij maakte in dat jaar gebruik van de extra lijfrentepremieaftrek in verband met omzetten van de opgebouwde oudedagsreserve (FOR) in een lijfrente. De inspecteur stelde het bijdrage-inkomen Zvw vast zonder rekening te houden met de lijfrentepremieaftrek. X vond dat niet terecht omdat hij dan twee keer Zvw-premie moet betalen. Namelijk over zijn vrijval van de FOR en over de lijfrente-uitkeringen.

Het Hof vond dat X die als zelfstandige pensioen opbouwt met een lijfrente, ongelijk wordt behandeld ten opzichte van werknemers die een pensioen opbouwen, omdat bij hen de uitgaven voor aanspraken op pensioen wel het bijdrage-inkomen verminderen. Vervolgens oordeelde het Hof dat voor die ongelijke behandeling geen objectieve rechtvaardiging bestaat en dat ook niet is gebleken van een voldoende concrete en gewichtige reden die de ongelijke behandeling zou kunnen rechtvaardigen. Maar het Hof kon X toch niet in het gelijk stellen omdat de Hoge Raad in een eerder arrest deze ongelijkheid had geaccepteerd. X ging in cassatie.

Gelijke gevallen ongelijk behandeld 

De Hoge Raad onderkent voor de heffing van de inkomensafhankelijke bijdrage van de Zvw drie situaties:

  1. Werknemers die een fiscaal gefacilieerde pensioenvoorziening opbouwen;
  2. Ondernemers die fiscaal aftrekbare premies voor een verplichte pensioenregeling betalen of een fiscaal aftrekbare toevoeging aan een FOR doen, en 
  3. Ondernemers die een oudedagsvoorziening opbouwen door middel van een lijfrente. 

In de situaties 1 en 2 wordt over de opbouw van de oudedagsvoorzieningen geen inkomensafhankelijke bijdrage geheven. In de onder 3 genoemde situatie wordt over de opbouw van oudedagsvoorzieningen wel een inkomensafhankelijke bijdrage geheven. Want bij het bepalen van het inkomen voor de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zvw-premie wordt geen rekening gehouden met aftrek voor betaalde lijfrentepremies. 

Volgens de Hoge Raad maakt de wetgever in de situaties 1 en 2 geen onderscheid. Maar als de ondernemer zijn opgebouwde FOR wil aanwenden voor een lijfrente dan ontstaat volgens de Hoge Raad wel een ongelijke behandeling tussen de situaties 1 en 2. Want in dat geval wordt de FOR toegevoegd aan de winst en is de ondernemer hierover de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zvw-premie verschuldigd. De Hoge Raad oordeelt dat er onvoldoende gronden zijn om deze ongelijke behandeling te rechtvaardigen en oordeelt dat de ondernemer geen inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is voor zover zijn FOR wordt omgezet in een lijfrente. 

Commentaar

De Hoge Raad corrigeert de uitspraak van het Hof daar waar het Hof verwijst naar eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad. Als een ondernemer de opgebouwde FOR omzet in een lijfrente hoeft de ondernemer, naar het oordeel van de Hoge Raad, de vrijval van de FOR niet mee te nemen in het inkomen voor inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zvw-premie. Een bevredigend oordeel want hiermee wordt dubbele heffing over de afname van de FOR met een lijfrente voorkomen.

Naar onze mening zou dit niet alleen moeten gelden voor zover de FOR wordt omgezet in een lijfrente, maar  voor alle lijfrentepremies die een belastingplichtige kan aftrekken ter compensatie van een pensioentekort (artikel 3.124, eerste lid onderdeel a, Wet IB 2001). Een werknemer die zijn beperkte pensioenopbouw of gemis aan pensioenopbouw compenseert door een pensioen op te bouwen in de derde pijler met een lijfrente kan nog steeds geconfronteerd worden met de dubbele heffing van Zvw-premies. Terwijl dit niet geldt voor werknemers die wel een adequaat pensioen opbouwen. Wellicht dat dit arrest voor de wetgever aanleiding is om bij de bepaling van het bijdrage-inkomen wel rekening te houden met de in aftrek geprachte lijfrentepremie. Het lijkt ons niet dat dit tot onoverkomelijke uitvoeringsproblemen zou leiden. 

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Hoge Raad, 23 november 2018

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 29 november 2018.