Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Meer antwoorden over Witteveen-2015

28 februari 2014

In ons bericht van 24 februari maakten wij een selectie van de aanvullende vragen die de Tweede Kamer stelde over het wetsvoorstel Witteveen 2015. In de Nota naar aanleiding van het Nader Verslag geeft de staatssecretaris antwoord op deze vragen. Wij maken wederom een selectie uit deze antwoorden.

Inhoud wetsvoorstel

In ons nieuwsbericht van 21 januari 2014 beschreven wij de hoofdlijnen van het wetsvoorstel "Voorstel van wet tot wijziging van de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen" (Witteveen-2015). Het regelt de verlaging van de opbouwpercentages van het Witteveenkader, de introductie van een spaarfaciliteit voor inkomens boven de aftopping van € 100.000 (nettolijfrente) en de invoering van een aantal premiewaarborgen met ingang van 1 januari 2015.

Pensioen

  1. Afkoop fiscaal bovenmatig pensioen toegestaan

De voorgestelde aanpassing van artikel 69 Pensioenwet staat afkoop van een fiscaal bovenmatig pensioen toe. Dit is een breuk met het verleden. Het kabinet verdedigt deze mogelijkheid met de volgende redenering. Er zijn omstandigheden denkbaar waaronder de aanvaarding van de pensioentoezegging niet expliciet een keuze van de werknemer is. Hierbij kan worden gedacht aan situaties dat vertegenwoordigers van werknemers en werkgevers collectieve afspraken maken waar een individuele werknemer geen invloed op kan uitoefenen. Werknemers die geen gebruik willen maken van een collectief overeengekomen overschrijding van dit fiscale kader moeten daar zelf een vrije keuze in kunnen maken.

  1. Bieden uitvoerders de 'risicopartnerpensioenknip' aan?

Verschillende kamerfracties vragen zich af op pensioenuitvoerders de risicopartnerpensioenknip zullen aanbieden. Het kabinet antwoordt hierop -naar onze mening terecht- dat het de taak van het kabinet is om samen met het parlement het wettelijke kader te bieden waarbinnen (vertegenwoordigers van) werkgevers en werknemers keuzes kunnen maken zoals het al dan niet invoeren van een `risicopartnerpensioenknip'. Het kabinet ziet het niet als zijn verantwoordelijkheid invloed uit te oefenen op deze keuze.

  1. Verlaagde opbouwpercentages en franchisebedragen

De mogelijkheid van uitruil tussen het maximum opbouwpercentage en de minimumfranchise blijft bestaan. De verlaagde opbouwpercentages en franchisebedragen van artikel 10aa Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 past het kabinet evenredig aan de voorgestelde verlaging van de maximale opbouwpercentages aan. Dit betekent een verlaging van de opbouwpercentages in een middelloonregeling van artikel 10aa naar 1,701 resp. 1,788.

  1. Aftopping van toepassing bij premievrijstelling?

De Tweede Kamer vraagt of de aftopping ook van toepassing is op deelnemers van een pensioenfonds die op 1 januari 2015 wegens arbeidsongeschiktheid al premievrije voortzetting van de pensioenopbouw hebben. Zij verwijzen naar het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 20 december 2013. Daarin wordt toegestaan dat een op 31 december 2013 reeds ingegane premievrijstelling op grond van een verzekeringsovereenkomst die niet is aangepast aan de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd (Wet VAP), niet behoeft te worden aangepast. Zij vragen of deze uitzondering alleen geldt bij een lopende premievrije voortzetting op grond van een verzekeringsovereenkomst en niet op grond van een pensioenovereenkomst. Volgens het kabinet is het voor de vraag of het nieuwe fiscale kader van toepassing is, relevant of er sprake is van een uitgewerkte rechtsverhouding. Bij door pensioenfondsen uitgevoerde pensioenovereenkomsten is dat doorgaans niet het geval. Dit betekent dan dat voor deelnemers met een premievrij voortgezette pensioenopbouw bij het pensioenfonds vanaf 1 januari 2015 de aftoppingsgrens geldt.

  1. 100% maximum vervallen?

Volgens de Tweede Kamer kan de Belastingdienst de bepalingen rondom het fiscaal maximum (100%-grens) in haar uitvoeringspraktijk kennelijk niet handhaven. Kunnen deze bepalingen dan niet beter vervallen? Volgens het kabinet is het vooral voor pensioenuitvoerders bewerkelijk om bijvoorbeeld de 100%-toets van artikel 18a, lid 7, Wet LB 1964 goed uit te voeren. De 100%-grens geldt als absolute bovengrens van het op te bouwen ouderdomspensioen. Het blijkt in de praktijk voor pensioenuitvoerders tot een behoorlijke administratieve belasting te leiden om op de juiste wijze vast te stellen of, waardoor en in hoeverre er een mogelijkheid tot het overschrijden van de 100%-grens is ontstaan. Het kabinet is daarom bereid met inachtneming van de doelstelling van de 100%-grens nader te onderzoeken of het mogelijk is deze bepalingen aan te passen en daarmee de uitvoering eenvoudiger te maken.

  1. Premievrijstelling tot AOW- of pensioenleeftijd?

Bij premievrijstelling van pensioen in verband met arbeidsongeschiktheid gaat de pensioenopbouw verder. Volgens de belastingdienst kan dit alleen maar als de deelnemer in die periode een loongerelateerde uitkering ontvangt (artikel 10a UBLB 1965). Dit geeft problemen bij werknemers die alleen een WIA uitkering hebben. Deze stopt immers bij de AOW leeftijd terwijl de pensioendatum vaak op een latere leeftijd ligt. Zie ook de column "Discriminatie" van Herman Kappelle in VVP van 18 februari. Het kabinet stelt dat het geconstateerde verschil theoretisch mogelijk is, maar in de praktijk zich doorgaans niet zo snel zal voordoen. Omdat het moment van ingang van de AOW en de pensioenuitkeringen in de praktijk, met name bij laag betaalden, samen zal vallen. Het verschil tussen de AOW gerechtigde leeftijd en de pensioenrichtleeftijd zal in de toekomst steeds dichter naar elkaar toegroeien, waardoor het probleem van de premievrije voortzetting verwaarloosbaar is. Het kabinet is niet van plan dit aan te passen.

Netto lijfrente

  1. Nettolijfrente alleen in derde pijler

Verschillende fracties pleiten ervoor om de aanvullende nettolijfrente ook in de tweede pijler onder het regime van de Pensioenwet te kunnen uitvoeren. De argumenten hiervoor zijn: arbeidsvoorwaarden kunnen integraal worden aangeboden, lagere kosten, partnerpensioen en premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid zijn in de tweede pijler beter beschermd.

Het kabinet ziet dat anders. De nettolijfrente is een vrijwillige oudedagsvoorziening die openstaat voor iedereen met een inkomen boven de aftoppingsgrens, ongeacht of men werknemer, ondernemer (inclusief zzp'er) of resultaatgenieter is. Het kabinet meent dat het afsluiten van een oudedagsvoorziening boven de aftoppingsgrens een keuze zou moeten zijn die op individuele basis gemaakt wordt en die niet beïnvloed wordt door afspraken tussen werkgevers en werknemers. De regeling sluit daarmee - anders dan de eerder voorgestelde pensioenexcedentregeling - volledig aan op de uitgangspunten van de derde pijler. Ook in de vormgeving gaat het om producten die naadloos aansluiten bij gangbare producten in de derde pijler. Regelingen in de tweede pijler hebben over het algemeen een ander karakter: collectieve regelingen op grond van de arbeidsverhoudingen, waarbij de werknemer verplicht deelneemt.

  1. Kunnen verzekeraars keuringseisen stellen aan de netto lijfrente?

Voor pensioen in de tweede pijler vragen pensioenuitvoerders  -kort samengevat- geen medische waarborgen. De voorgestelde nettolijfrente is geen pensioen in de zin van de Pensioenwet. Dat betekent dat het uitvoerders niet verboden is om medische waarborgen te vragen. Dat kan er toe leiden dat als de deelnemer dekking boven de € 100.000 wil voor het ouderdomspensioen of het partnerpensioen, die dekking onderhevig kan zijn aan een keuring en/of uitsluitingen. Het kabinet is er geen voorstander van om een het eventueel vragen van medische waarborgen voor een nettolijfrente te verbieden. Dit kan risico's van averse selectie opleveren.

  1. Verplichte verzekering arbeidsongeschiktheid en overlijden?

Het kabinet vindt het niet wenselijk om marktpartijen te verplichten om een verzekering aan te bieden voor de risico's van arbeidsongeschiktheid of overlijden voor het inkomensdeel van werknemers boven de € 100.000. Om misverstanden te voorkomen wordt opgemerkt dat de maximering van het pensioengevend loon niet geldt voor het arbeidsongeschiktheidspensioen.

  1. Afkoop nettolijfrente

Volgens het kabinet is de nettolijfrente bedoeld om voor het inkomensgedeelte boven de aftoppingsgrens van € 100.000 te voorzien in inkomen voor de oude dag. Het is niet de bedoeling dat de nettolijfrente eerder wordt opgenomen. Wanneer dat toch wordt gedaan, vervalt de vrijstelling voor box 3. Het gaat hierbij om de box 3-vrijstelling vanaf dat tijdstip en niet de box 3-vrijstelling voor het verleden. Vanwege het verlies van de fiscale faciliteit van de box 3-vrijstelling, denkt het kabinet dat het minder waarschijnlijk wordt dat de nettolijfrente wordt aangewend voor andere doeleinden dan een oudedagsvoorziening. Niettemin zal het kabinet dit monitoren en zo nodig aanvullende maatregelen treffen.

  1. Vrijstelling Erfbelasting

Het kabinet wil de nettolijfrente op dezelfde manier behandelen voor de vrijstelling van de Erfbelasting als fiscaal gefaciliteerde lijfrenten waarvan de premies in aftrek zijn gebracht. De novelle wordt daarom op dit punt via een nota van wijziging aangepast.

Commentaar

  1. Afkoop bovenmatig pensioen

In ons vorige nieuwsbericht gaven wij al aan dat het wij het wonderlijk vinden dat de voorgestelde wijziging van de afkoopmogelijkheid nog steeds in het wetsvoorstel staat. Deze was erin gekomen met het vorige wetsvoorstel dat inmiddels is ingetrokken. De verdediging van het kabinet waarom deze afkoopmogelijkheid tóch blijft bestaan, kunnen wij niet goed volgen. Want waarom zullen sociale partners een collectieve pensioenregeling afspreken die voor individuele deelnemers fiscaal bovenmatig zal uitpakken? Als dat wel zo zou zijn, kan dit worden bereikt door te regelen dat een fiscaal bovenmatig pensioen alleen in de vorm van een volledig vrijwillige regeling kan worden uitgevoerd. Hierin is al voorzien door het voorgestelde nieuwe tweede lid van artikel 117 PW. De individuele deelnemer beslist dan zelf of hij meedoet. De u-bocht constructie van eerst een aanspraak krijgen die belast is en vervolgens die aanspraak afkopen om de belasting te betalen is daarmee overbodig.

  1. Aftopping van toepassing bij premievrijstelling?

In haar reactie gaat het kabinet alleen in op de niet-uitgewerkte rechtsverhouding bij een pensioenfonds. Mogen wij uit de reactie van het kabinet opmaken dat dus voor verzekerde regelingen wél weer een soortgelijke regeling komt voor op 1 januari 2015 premievrijgestelden?

  1. Premievrijstelling tot AOW- of pensioenleeftijd?

Het kabinet stelt dat het verschil tussen de AOW gerechtigde leeftijd en de pensioenrichtleeftijd in de toekomst steeds dichter naar elkaar toe zullen groeien, waardoor het probleem van de premievrije voortzetting verwaarloosbaar is. Dat klopt niet. De berekeningsmethoden van de aanpassing van de AOW ingangsdatum en de pensioenrichtleeftijd aan de stijgende levensverwachting verschillen van elkaar. Daardoor blijft er een structureel een verschil tussen deze twee leeftijden.

Daarnaast is het probleem allerminst verwaarloosbaar omdat er ook nog diverse groepen deelnemers in pensioenregelingen zijn die helemaal geen recht hebben op WIA of een andere loongerelateerde uitkering. Dat geldt bijvoorbeeld voor vrije beroepers en directeuren-grootaandeelhouder. Ook die kennen pensioenregelingen en hebben behoefte aan premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid.

  1. Nettolijfrente alleen in derde pijler

Een geheel vrijwillige regeling zoals de nettolijfrente kan, naast in de derde pijler, heel goed ook in de tweede pijler plaatsvinden. De werkgever maakt dan een regeling mogelijk waarin een netto aanvullend pensioen kan worden opgebouwd. De werknemer beslist zelf of hij van deze mogelijkheid gebruik wil maken. Het ook in de tweede pijler opbouwen van het aanvullende pensioen heeft voor de deelnemer verschillende voordelen.

  • Hij blijft bij dezelfde uitvoerder en ontvangt alle informatie en correspondentie van één en dezelfde uitvoerder.
  • Hij kan zijn risicodekking voor nabestaanden- en arbeidsongeschiktheidspensioen op dezelfde basis en zonder aanvullende gezondheidswaarborgen voortzetten.
  • Hij kan, als hij voor zijn basispensioen in een life cycle fund zit, voor zijn aanvullende pensioen exact dezelfde life cycle volgen. Zijn totale pensioenvoorziening blijft dan afgestemd op zijn individuele situatie.
  1. Afkoop nettolijfrente

Bij afkoop van de nettolijfrente vervalt de vrijstelling in box 3. Naar onze mening wordt hiermee een mooie spaarfaciliteit geboden voor mensen die aan de voorwaarden voldoen (inkomen hoger dan € 100.000). Namelijk onbelast sparen in box 3 en wanneer je het geld nodig hebt, neem je het op. Op deze manier kun je het rendement met 1,2% verhogen, ervan uitgaande dat de rest van het vermogen voldoende is om de algemene vrijstelling van box 3 te vullen. En dat kan toch niet de bedoeling zijn van het wetsvoorstel?

 

Auteurs:

  • Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis
  • Erik Schouten, adviseur Aegon Adfis

Bron: Nota naar aanleiding van het Nader Verslag Voorstel van wet tot wijziging van de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen, 26 februari 2014.