Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Meer duidelijkheid over Witteveen-2015

14 februari 2014

De Tweede Kamer stelde veel vragen over het wetsvoorstel  "Voorstel van wet tot wijziging van de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen" (Witteveen-2015). De antwoorden hierop verschaffen meer duidelijkheid.

Inhoud wetsvoorstel

In ons nieuwsbericht van 21 januari 2014 beschreven wij de hoofdlijnen van het wetsvoorstel. Het kabinet diende 20 januari een novelle in bij de Tweede Kamer. Deze novelle is een vertaling van het pensioenakkoord die het Witteveenkader per 2015 verlaagt. Het regelt de aanpassing van de opbouwpercentages van het Witteveenkader, de introductie van een spaarfaciliteit voor inkomens boven de aftopping van € 100.000 (nettolijfrente) en de invoering van een aantal premiewaarborgen met ingang van 1 januari 2015. Wij gaan in twee nieuwsberichten in op de antwoorden van het kabinet op vragen uit de Tweede Kamer. Dit nieuwsbericht gaat over enkele interessante antwoorden van het kabinet. Wij beperken ons hierbij tot vragen over nettolijfrente en pensioen. Ons andere nieuwsbericht van dezelfde datum gaat over de fiscale gevolgen van emigratie voor de nettolijfrente.

Nettolijfrente verplicht of vrijwillig?

Uitgangspunt van de nettolijfrente is dat deelname vrijwillig is. Verplichte deelname is niet toegestaan. Dit zou bijvoorbeeld kunnen ontstaan  wanneer de werkgever alleen aan de deelnemers aan de nettolijfrente een werkgeversbijdrage verleent. Dat is niet de bedoeling. Daarom moet een werkgever óf aan alle werknemers een bijdrage geven voor een netto-lijfrente, óf aan geen enkele werknemer. Een soortgelijke eis gold ook voor werkgeversbijdragen aan de levensloopregeling. Het is natuurlijk wel mogelijk dat deelnemers zelf als groep, bijvoorbeeld georganiseerd in een (personeels-)stichting of vereniging, een collectiviteitskorting bedingen bij een aanbieder. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal een CAO met verplichte deelname aan een nettolijfrente niet algemeen verbindend verklaren.

Toegelaten uitvoerders nettolijfrente

De toegelaten aanbieders van een nettolijfrente zijn dezelfde als de aanbieders van onder box 1 vallende lijfrenteverzekeringen, lijfrentespaarrekeningen of lijfrentebeleggingsrechten. Dus verzekeraars, banken en beleggingsinstellingen. Pensioenfondsen kunnen geen nettolijfrente aanbieden, omdat deze geen pensioen is in de zin van de Pensioenwet.

Netto lijfrente alleen in de derde pijler

Veel partijen (de vakcentrales FNV, CNV en MHP, de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars) pleiten ervoor om de aanvullende nettolijfrente ook in de tweede pijler onder het regime van de Pensioenwet te kunnen uitvoeren. De argumenten hiervoor zijn: arbeidsvoorwaarden kunnen integraal worden aangeboden, lagere kosten, partnerpensioen en premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid zijn in de tweede pijler beter beschermd.

De reactie van het kabinet is de volgende. De nettolijfrente is een vrijwillige oudedagsvoorziening die openstaat voor iedereen met een inkomen boven de aftoppingsgrens, ongeacht of men werknemer, ondernemer (inclusief zzp'er) of resultaatgenieter is. De regeling sluit daarmee - anders dan de eerder voorgestelde pensioenexcedentregeling - volledig aan op de uitgangspunten van de derde pijler. Ook in de vormgeving gaat het om producten die naadloos aansluiten bij gangbare producten in de derde pijler. Regelingen in de tweede pijler hebben over het algemeen een ander karakter: collectieve regelingen op grond van de arbeidsverhoudingen, waarbij de werknemer verplicht deelneemt.

Afkoop nettolijfrente

Volgens het kabinet is de nettolijfrente bedoeld om voor het inkomensgedeelte boven de aftoppingsgrens van € 100.000 (2015) te voorzien in inkomen voor de oude dag. Het is niet de bedoeling dat de nettolijfrente eerder wordt opgenomen. Wanneer dat toch wordt gedaan, vervalt de vrijstelling voor box 3. Vanwege het verlies van de fiscale faciliteit van de box 3-vrijstelling, denkt het kabinet dat het minder waarschijnlijk wordt dat de nettolijfrente wordt aangewend voor andere doeleinden dan een oudedagsvoorziening. Niettemin zal het kabinet dit monitoren en zo nodig aanvullende maatregelen treffen.

Gevolgen nettolijfrente voor inkomensafhankelijke regelingen

Voor inkomensafhankelijke regelingen is de hoogte van het verzamelinkomen bepalend. Het verzamelinkomen is de som van het belastbaar inkomen in box 1, 2 en 3. . Het verzamelinkomen wordt niet verlaagd door de inleg voor een nettolijfrente. Daarnaast wordt het verzamelinkomen niet beïnvloed door het rendement van het opgebouwde nettolijfrentekapitaal, dat is immers vrijgesteld van box 3. De vrijstelling voor box 3 heeft ook tot gevolg dat, de waarde van de nettolijfrente ook geen invloed heeft op de vermogensbijstelling voor de AWBZ en voor de vermogenstoets voor huur- en zorgtoeslag en kindgebonden budget. De uitkeringen uit een nettolijfrente vormen geen belast inkomen en tellen daarom niet mee voor de bepaling van de hoogte van het verzamelinkomen.

Afkoop fiscaal bovenmatig pensioen

Artikel 69 van de Pensioenwet regelt de afkoopmogelijkheid van een fiscaal bovenmatig pensioen. De voorgestelde aanpassing van dit artikel zorgt ervoor dat een pensioendeelnemer vrij kan beschikken over het pensioen waarvoor geen fiscale facilitering via de omkeerregel geldt. Dit is ook de bedoeling, aldus het kabinet.

Commentaar

Het kabinet geeft op verzoek van verschillende fracties een overzicht van het pensioen dat iemand (ongeveer) kan opbouwen met de voorgestelde opbouwpercentages. Deze berekeningen geven naar onze mening - net zoals berekeningen die het kabinet bij het vorige wetsvoorstel publiceerde- een onrealistisch beeld van de werkelijkheid. De uitgangspunten van de berekeningen zijn theoretisch. Zo wordt uitgegaan van een loonstijging, een stijging van de AOW etc.  van 2% per jaar. En een maximale pensioenopbouw gedurende de gehele carrière van een werknemer vanaf 25 jaar tot aan pensioendatum. De vervangingsratio's zijn daardoor bij verschillende inkomens en geboortedata vrijwel allemaal meer dan 90% van het gemiddelde loon en meer dan 75% van het laatst verdiende loon. Uiteraard is het logisch dat het uitgangspunt in degelijke voorbeeldberekeningen een standaardsituatie is. De keuzes die het kabinet maakt, zijn echter niet realistisch omdat een situatie zoals die wordt voorgespiegeld zich vrijwel nooit zal voortdoen. De lezer wordt hiermee op het verkeerde been gezet.

Bij afkoop van de nettolijfrente vervalt de vrijstelling in box 3. Naar onze mening wordt hiermee een mooie spaarfaciliteit geboden voor mensen die aan de voorwaarden voldoen (inkomen hoger dan € 100.000). Namelijk onbelast sparen in box 3 en wanneer je het geld nodig hebt, neem je het op. Op deze manier kun je het rendement met 1,2% verhogen, ervan uitgaande dat de rest van het vermogen voldoende is om de algemene vrijstelling van box 3 te vullen. En dat kan toch niet de bedoeling zijn van het wetsvoorstel?

Wij vinden het wonderlijk dat de voorgestelde wijziging van de afkoopmogelijkheid nog steeds in de novelle staat. Deze was erin gekomen met het vorige wetsvoorstel dat inmiddels is ingetrokken. Waarom trekt het kabinet de voorgestelde wijziging dan ook niet in? De redenering van het kabinet (zie boven) ziet niet op het huidige wetsvoorstel. De voorgestelde uitbreiding van art. 69 PW is met de intrekking van het oude wetsvoorstel niet meer nodig.

 

Auteur: Erik Schouten, adviseur Aegon Adfis
Bron: Nota naar aanleiding van het verslag Voorstel van wet tot wijziging van de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen, 11 februari 2014.