Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Minister Hoekstra beantwoordt Kamervragen over voorbeeldrendement bij beleggingsverzekeringen

1 mei 2018

De Tweede Kamerleden Omtzigt en Ronnes (CDA) stelden vragen over de “bizar hoge” voorbeeldrendementen bij beleggingsverzekeringen. Minister Hoekstra van Financiën antwoordt dat de getoonde voorbeeldrendementen kunnen leiden tot niet realistische verwachtingen bij consumenten. Hij vindt het van belang van dit op Europees niveau wordt besproken.

Gewijzigde regelgeving per 1 januari 2018 door PRIIP-verordening

Sinds 1 januari van dit jaar moeten aanbieders van bepaalde beleggingsproducten en verzekeringen met een beleggingscomponent, zogenoemde PRIIPS (packaged retail investment and insurance based investment products), een essentieel informatiedocument opstellen. Dit document geeft de consument inzicht in onder andere de werking, risico’s, kosten en het verwachte rendement van het product. Daarnaast kan de consument het informatiedocument gebruiken om de verschillende soorten PRIIP met elkaar te vergelijken.

De aanbieder van een PRIIP moet op basis van dwingende voorschriften waar hij niet van mag afwijken, voor verschillende scenario’s de rendementen berekenen en weergeven. De scenario’s die aanbieders moeten gebruiken zijn ‘stress’, ‘ongunstig’, ‘gematigd’ en ‘gunstig’.

De Kamerleden Omtzigt en Ronnes van het CDA stelden vragen aan de minister van Financiën over de in hun ogen “bizar hoge” voorbeeldrendementen die uit de voorgeschreven berekeningsmethodiek voortvloeien. In het ongunstige scenario bedraagt het nettorendement bijvoorbeeld 6%. Bij een gemiddeld scenario is dit 11% en in het gunstige scenario zelfs 16% over een periode van 20 jaar. Zij voorzien een nieuwe (pensioen)woekerpolisaffaire.

Rendementen zijn gebaseerd op referentieperiode van vijf jaar

Minister Hoekstra geeft in zijn antwoord aan dat de voorbeeldrendementen voor de verschillende scenario’s in sommige gevallen hoog kunnen uitvallen doordat de prognoses worden gebaseerd op de resultaten van de afgelopen vijf jaar, de zogenoemde referentieperiode. Omdat de afgelopen vijf jaar vooral positieve beursjaren zijn geweest, kan dit volgens de minister in de praktijk leiden tot hoge verwachte uitkomsten. Bij vijf vooral negatieve beursjaren zullen de verwachte uitkomsten laag uitvallen. Omdat prognoses onzeker zijn en de uiteindelijke resultaten hoger maar ook lager kunnen uitvallen, zijn in het informatiedocument verplichte toelichtingen opgenomen die de consument daarop wijzen.

De minister beaamt echter dat de getoonde voorbeeldrendementen desondanks kunnen leiden tot verwachtingen bij consumenten die niet realistisch zijn en daarmee hun keuzes kunnen beïnvloeden. Hij vindt het, samen met de AFM, van belang dit Europees te adresseren. Het informatiedocument moet volgens hem een zo realistisch mogelijk beeld geven van het product.

Prognoserendement is iets anders dan rekenrente

Omtzigt en Ronnes vroegen de minister hoe hij vindt dat de prognoserendementen zich verhouden tot de rekenrente van pensioenfondsen waartegen zij hun verplichtingen contant moeten maken. Hoekstra antwoordt hierop dat het prognoserendement en de rekenrente ieder een andere functie hebben en om die reden niet met elkaar zijn te vergelijken.

De functie van het prognoserendement is het bieden van inzicht in de mogelijke waardeontwikkeling van het product. Dit inzicht moet de consument onder andere helpen een goede afweging te maken tussen rendement en risico. De rekenrente van pensioenfondsen wordt gebruikt voor de waardering van nominale pensioenverplichtingen op de balans van een pensioenfonds. De minister geeft aan dat het verschil tussen de waarde van pensioenverplichtingen enerzijds en bezittingen van het pensioenfonds anderzijds tot uitdrukking komt in de dekkingsgraad van een pensioenfonds, een indicator die een belangrijke rol heeft bij de beleidsbeslissingen van een pensioenfonds.

Minister kaart probleem aan op Europees niveau

Op de vraag of de minster de mening deelt dat het buitengewoon onverstandig is indien mensen hun financiële toekomst baseren op dit soort voorbeeldrendementen, antwoordt hij dat hij  deze mening deelt. De getoonde voorbeeldrendementen kunnen leiden tot verwachtingen bij consumenten die niet realistisch zijn en daarmee hun keuzes kunnen beïnvloeden. Hij wil dit probleem samen met de AFM op Europees niveau aankaarten. Hij geeft aan dat de AFM hierover reeds in contact is getreden met de Europese toezichthouders. Hij vindt dat de juiste route aangezien de berekeningswijze in Europese regelgeving is vastgelegd en ook andere lidstaten en nationale toezichthouders hun zorgen hebben over de hoge voorbeeldrendementen.

De AFM was middels werkgroepen betrokken bij het opstellen van deze reguleringsnormen. De reguleringsnormen zijn op 12 april 2017 door de Europese Commissie vastgesteld middels een gedelegeerde verordening. Hoekstra geeft aan dat nationale parlementen een rol hebben bij een verordening, maar niet bij de uitwerking van een in een verordening opgenomen gedelegeerde bevoegdheid. Hij voegt daar aan toe dat het niet mogelijk is om nationaal af te wijken van deze verordening aangezien deze rechtstreekse werking heeft. Eventuele nationale eisen zouden daardoor geen juridische werking hebben. Omtzigt en Ronnes vroegen welke straf Nederland zou krijgen als zij in wetgeving actief zou afwijken van de verordening. De minister van Financiën antwoordt dat de Europese Commissie volgens de EU-verdragen tegen een EU-land dat de EU-wetgeving niet naar behoren toepast een inbreukprocedure kan starten. Ook kan de Commissie de zaak aanhangig maken bij het Hof van Justitie, dat in bepaalde gevallen financiële sancties kan opleggen.

Hoekstra acht het onwenselijk om vooruitlopend op Europese besluitvorming wijzigingen door te voeren, omdat dat zal leiden tot onduidelijkheid bij de consument en de vergelijkbaarheid tussen producten zal beperken.

Commentaar

Het is uiteraard een loffelijk streven om financiële producten inzichtelijk en onderling vergelijkbaar te maken voor de consument. Maar het blijkt uitermate lastig te zijn om dit te doen op een manier waardoor er geen verwachtingen worden gewekt die niet waargemaakt kunnen worden. Rendementen uit het verleden bieden immers geen garanties voor de toekomst. Een wat langere referentieperiode, zoals voorgesteld door de Kamerleden, is wellicht een optie.

Tevens blijkt dat er bij de Nederlandse parlementariërs nog een bepaald naïviteit bestaat omtrent de mate van invloed op Europese regels. De in het regeerakkoord opgenomen stevige stelling: “Het pensioenstelsel blijft een nationale bevoegdheid. Het kabinet wijst extra Europese regels af die hier inbreuk op maken”(blz. 30), blijkt niet haalbaar en houdbaar. Het is verbazingwekkend dat Nederlandse Tweede Kamerleden in een – naar wij aannemen – serieus bedoelde vraag aan de minister vragen wat er gebeurt als Nederland zich niet aan Europese verordeningen houdt. Zij zouden toch moeten weten dat dat, zoals de minister terecht stelt, een praktische onmogelijkheid is. Nederland is nu eenmaal lid van de EU. En daar horen bepaalde verplichtingen bij.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Antwoorden van de minister van Financiën op Kamervragen van Omtzigt en Ronnes.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 30 april 2018.