Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Moeder mag beschikken over wezenpensioen

6 augustus 2019

Na het overlijden van X keert de pensioenverzekeraar het wezenpensioen van de zoon uit aan zijn moeder. Zoon vindt dat zijn moeder rekening en verantwoording moet afleggen over de besteding van het wezenpensioen en het uitbetaalde wezenpensioen aan hem moet betalen. Het hof beslist anders.

Kind eist van moeder rekening en verantwoording en betaling

Zoon is geboren in 1981. Wanneer X overlijdt in 1987 keert de pensioenverzekeraar wezenpensioen uit op rekening van de moeder tot het moment dat zoon 18 jaar is geworden.

Zoon vindt dat zijn moeder rekening en verantwoording moet afleggen over het ontvangen wezenpensioen. En dat de verklaring van zijn moeder moet zijn voorzien van een verklaring van juistheid van een accountant. Hij vraagt de rechter om zijn moeder te veroordelen tot betaling aan hem van een bedrag van ruim € 73.000. Dit is het saldo van de totale wezenpensioenuitkering vermeerderd met de wettelijke rente daarover.

Bij de rechtbank werd zoon niet ontvankelijk verklaard voor zijn vordering dat zijn moeder rekening en verantwoording moet afleggen. Wel veroordeelt de rechtbank moeder tot betaling van de ruim € 73.000 aan haar zoon. Volgens de rechtbank waren de wezenpensioenuitkeringen gaan behoren tot het vermogen van de zoon.

Moeder is het daarmee niet eens en gaat in beroep.

Rechtsgrond ontbreekt voor rekening en verantwoording

Volgens moeder heeft de ouder die het gezag over het kind uitoefent op grond van het Burgerlijk wetboek (artikel 1:253l) het vruchtgenot van het vermogen van het minderjarig kind. En worden uitkeringen van wezenpensioen volgens jurisprudentie aangemerkt als vruchten die onder het ouderlijk vruchtgenot vallen. Moeder baseert dit op HR 11 mei 1944, NJ 1944-1945, 510, Hof Den Bosch 10 mei 1995, NJ 1996, 152 en Hof Arnhem 11 december 1957, NJ 1958, 547.

Het hof is het eens met moeder. Volgens het hof ligt de basis voor het recht van vruchtgenot in de persoonlijke verhouding van ouders en kinderen en in de zorg van ouders voor die kinderen. Daar staat de verplichting voor ouders tegenover om de kosten voor de verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen te dragen.

De rechter is snel klaar met het argument van de zoon dat het wezenpensioen inkomsten uit arbeid (of daarmee gelijk te stellen) en geen vermogen is. De wezenpensioenuitkeringen hebben volgens de rechter geen enkel verband met werk van zoon en dienen ook niet ter vervanging daarvan. Zoon was bij aanvang van die uitkering zes jaar. Volgens de rechter vervangen de wezenpensioenuitkeringen een deel van het inkomen van X, waarvan door moeder de kosten van het levensonderhoud, verzorging en opvoeding van zoon betaald werden.

De eis van K dat zijn moeder rekening en verantwoording moet afleggen over de besteding van de wezenpensioenuitkering en het saldo van het wezenpensioen aan hem moet betalen kent de rechter niet toe. Een rechtsgrond daarvoor ontbreekt volgens de rechter. Volgens het hof behoorden de wezenpensioenuitkeringen vanaf het moment dat zij die heeft ontvangen toe aan moeder op grond van het Burgerlijk wetboek (artikelen 251 boek 1, oud en 1:253l).

De rechter stelt moeder in het gelijk. Zij hoeft geen rekening en verantwoording af te leggen en ook geen betaling te doen aan K.

Commentaar

Deze uitspraak toont aan dat – hoewel de half wees begunstigde is van het wezenpensioen –zijn langstlevende ouder mag beschikken over de uitkering zolang het kind minderjarig is en de ouder het wettelijk gezag heeft over dat kind. Die ouder hoeft geen rekening en verantwoording af te leggen aan zijn kind over de besteding van de gelden.

Hoewel de overlevende ouder kan en mag beschikken over de wezenpensioenuitkeringen, worden deze uitkeringen niet bij de ouder belast. In de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (artikel 2.15) staat expliciet welk inkomen van een minderjarig kind aan de ouder wordt toegerekend wanneer deze het wettelijk gezag heeft. Pensioen is niet opgenomen in de opsomming van de inkomsten die bij de ouder worden belast. Dit betekent dat het kind dit zelf moet aangeven in zijn aangifte inkomstenbelasting, ondanks dat het wezenpensioen aan de ouder wordt uitgekeerd. Vaak zal dit niet leiden tot een daadwerkelijke belastingheffing doordat de heffingskorting hoger is dan de verschuldigde belasting. Het kind hoeft alleen aangifte te doen wanneer hij daarvoor een brief heeft gekregen van de belastingdienst of wanneer hij meer dan 46 euro moet betalen aan belasting. Zie ook onze praktijkvraag van 21 februari 2019.

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bronnen: Hof Arnhem-Leeuwarden, 31 juli 2019

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 6 augustus 2019