Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Na 45 dienstjaren met pensioen lastig uitvoerbaar en kost € 2 miljard in 2026, oplopend naar € 5 miljard in 2038.

Na 45 dienstjaren met pensioen lastig uitvoerbaar en kost € 2 miljard in 2026, oplopend naar € 5 miljard in 2038.

2 februari 2021

In het kader van het pensioenakkoord spraken sociale partners en het kabinet af te onderzoeken of het mogelijk is om het moment van uittreden onder voorwaarden te koppelen aan het aantal dienstjaren, bijvoorbeeld 45. Uit het eindrapport van de werkgroep die dit onderzocht, blijkt dat dit lastig uitvoerbaar is en in 2026 € 2 miljard kost, oplopend tot € 5 miljard in 2038. Het rapport is ‘een technische analyse en een weergave van de bevindingen’ zonder aanbevelingen.

Aanleiding voor het onderzoek

In het kader van het pensioenakkoord van 5 juni 2019 spraken sociale partners en het kabinet af te onderzoeken of het mogelijk is om het moment van uittreden onder voorwaarden te koppelen aan het aantal dienstjaren, bijvoorbeeld 45. Aandachtspunten hierbij zijn de uitvoerbaarheid en het behoud van de AOW als volksverzekering en stabiele basis van ons pensioenstelsel. In de Eerste Kamer vroeg senator De Vries (Fractie Otten) in het kader van de behandeling van het wetsvoorstel Verandering koppeling AOW-leeftijd om een onderzoek. Hij diende daartoe een motie in. In de motie wordt overwogen dat het rechtvaardig is dat mensen met bijvoorbeeld zware beroepen en een lang arbeidsverleden eerder met pensioen kunnen dan mensen met een kort arbeidsverleden.

Minister Koolmees stuurde eind januari het eindrapport van de werkgroep waarin de bevindingen van dit onderzoek zijn weergegeven naar de Kamer. In de begeleidingsgroep werkten vertegenwoordigers van CNV, FNV, VNO-NCW en MKB-Nederland, VCP en SZW samen. Het kabinet legt het rapport zonder nadere standpuntbepaling aan de Kamer voor.

Omvang potentiële doelgroep

Voor een globale inschatting van de doelgroep keek de werkgroep naar de potentiële doelgroep in 2026. Het aantal personen dat voldoet aan het 45 dienstjarencriterium liep afgelopen decennia door hoger arbeidsparticipatie (en later uittreden) flink op. Op basis van CBS-onderzoek schat de werkgroep in dat in 2026 circa 20% van de 65-jarigen voldoet aan het 45 dienstjaren criterium uitgaande van 204 gewerkte uren per jaar. Deze groep zou dan, afhankelijk van de vormgeving en condities, recht krijgen op een pensioenuitkering. Op basis van deze inschattingen betreft het in totaal jaarlijks circa 60.000 personen die potentieel eerder zouden kunnen uittreden uit het arbeidsproces. Dat aantal loopt vervolgens verder op door het stijgen van de AOW-leeftijd en de hogere arbeidsparticipatie (van met name vrouwen). Het CBS keek ook naar het effect van het meenemen van zogenoemde gelijkstellingen die ook meetellen voor het arbeidsverleden (mensen die gedurende een deel van hun loopbaan niet werkten omdat zij voor jonge kinderen zorgden, werkloos waren of arbeidsongeschikt). Indien alle gelijkstellingen worden meegenomen die ook voor de werkloosheidswet gelden, neemt de groep met 45 dienstjaren toe met ongeveer 50% - 70% tot circa 100.000 personen in 2026 oplopend naar circa 150.000 per 2038.

Drie scenario’s

Er zijn volgens de werkgroep verschillende manieren om een regeling vorm te geven, waarbij het moment van uittreden gekoppeld wordt aan het aantal dienstjaren. Doel van het onderzoek was om zo breed mogelijk verschillende voorwaarden en scenario’s te schetsen en daarbij in te gaan op alle implicaties. Het rapport beschrijft drie scenario’s. Het eerste scenario gaat uit van een publieke regeling gefinancierd uit algemene middelen. In het tweede scenario treffen werkgevers en werknemers op cao-niveau regelingen. De overheid zou dergelijke regelingen fiscaal kunnen faciliteren. Het derde scenario gaat uit van maatwerk door individuele werkgevers en werknemers. Bij deze scenario’s is gekeken naar het doelbereik, de uitvoeringsgevolgen, de juridische en internationale aspecten, arbeidsmarkteffecten en de gevolgen voor de overheidsfinanciën.

Scenario I: Publiek gefinancierde regeling

Bij een publiek gefinancierde regeling kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een financiering als volksverzekering of als werknemersregeling. Bij een publiek gefinancierde regeling zullen juridische en uitvoeringsvraagstukken zwaar wegen.

Scenario II: Regelingen op cao-niveau gefinancierd door werkgevers en werknemers

Bij een regeling op cao-niveau denkt de werkgroep aan afspraken op sectorniveau, waarbij werkgevers en werknemers de mogelijkheid hebben om in sectoren en ondernemingen uittredingsregelingen op AOW-niveau te financieren. Daarmee krijgen werknemers de mogelijkheid om na een aantal dienstjaren te stoppen met werken. Hierbij kan de overheid gericht kijken naar de fiscale behandeling van zo’n regeling. Ook kan de overheid deze dienstjarenregeling gericht ondersteunen door de pseudo-eindheffing op regelingen voor vervroegde uittreding (RVU-heffing) te versoepelen. Zo’n versoepeling kan gebeuren als de vervroegde uittreding na bijvoorbeeld 45 dienstjaren en binnen de laatste drie jaar voor de AOW-leeftijd plaats vindt. Eventueel kunnen daaraan voorwaarden worden verbonden (bijvoorbeeld de hoogte van de uitkering). De werkgroep tekent daarbij aan dat de Belastingdienst deze voorwaarden echter wel moet kunnen handhaven.

Scenario III: Maatwerkregeling op individueel niveau

Bij een regeling op individueel niveau denkt de werkgroep aan maatwerkafspraken voor eerder stoppen met werken na bijvoorbeeld 45 dienstjaren. Werkgevers krijgen de mogelijkheid om maatwerkafspraken te financieren op AOW-niveau waarmee werknemers de mogelijkheid krijgen om na een aantal dienstjaren te stoppen met werken. Ook hierbij kan de overheid deze regelingen ondersteunen door de boven vermelde versoepeling van de pseudo-eindheffing op regelingen voor vervroegde uittreding.

Gevolgen voor de overheidsfinanciën

Om inzicht te bieden in de effecten van een dienstjarenregeling voor de overheidsfinanciën maakte de werkgroep een grove inschatting van de directe kosten van een dergelijke regeling. Voor de berekening ging de werkgroep uit van 45-dienstjaren, minimaal 204 gewerkte uren per jaar en een minimum uittreedleeftijd van 65 jaar. Daarbij abstraheerde hij van uitvoerbaarheid en juridische punten. Op basis van de potentiële doelgroep volgend uit het CBS-onderzoek maakte de werkgroep een inschatting van de directe kosten van de uitkering zelf, met als uitgangspunt een bruto uitkering die tot een vergelijkbaar inkomen leidt als een netto AOW. Alle andere effecten bleven voor de inschatting buiten beschouwing, zoals het effect van besparing op arbeidsongeschiktheid en werkloosheid, de effecten van lagere belastingopbrengsten en hogere kosten voor inkomensafhankelijke regelingen zoals de toeslagen. Voor een publieke regeling leidt dat voor die regeling zelf tot directe kosten die vanaf 2026 oplopen van ruim € 2 miljard jaarlijks naar circa € 5 miljard per jaar in 2038. Deze sterke toename in latere jaren komt enerzijds door de hogere AOW-leeftijd (van 67 naar 68 jaar) waardoor de uitkering langer doorloopt. Anderzijds schat de werkgroep in dat door hogere participatie (van met name vrouwen) de groep rechthebbenden ook steeds groter wordt. Door het meenemen van de gelijkstellingen vallen deze kosten naar verwachting 50% tot 70% hoger uit. De kosten en het gebruik voor een publieke regeling liggen naar verwachting van de werkgroep aanzienlijk hoger dan bij een cao-regeling tussen werkgevers en werknemers. Bij een regeling op cao-niveau is een vrijwillig karakter beter mogelijk, waardoor naar verwachting het gebruik en de kosten voor een dergelijke regeling lager uitvallen. Het gebruik bij een regeling tussen werkgever en werknemer hangt ook af van de wens van werkgevers en werknemers om in een bepaalde sector tot een regeling te komen, van het niveau van de uitkering, de fiscale behandeling (RVU-vrijstelling) en in hoeverre die kan aansluiten op het dienstjarencriterium. Indien vanwege de (on)uitvoerbaarheid uitgegaan zou worden van een fictief arbeidsverleden voor de periode voor 1998, vallen de budgettaire effecten fors hoger uit.

Reactie FNV

FNV ziet goede aanknopingspunten in het rapport om verder in gesprek te gaan met het kabinet en andere sociale partners over stoppen na 45 jaar werken. Het onderzoeksrapport biedt volgens de vakbond veel nieuw materiaal om een nieuwe, publiek gefinancierde regeling op te tuigen.
Vice-voorzitter en kandidaat voorzitter Tuur Elzinga zei in een reactie; “Daarom is het ook belangrijk om snel tot afspraken te komen voor een permanente regeling als de RVU-regeling eind 2025 stopt. Ik zie uit naar gesprekken hierover met het kabinet, andere vakbonden en werkgevers. Dit rapport is een goed begin voor goede afspraken.”

Commentaar

De werkgroep leverde slechts een technische analyse en een weergave van de bevindingen. Hij deed verder geen aanbevelingen en laat dat verder over aan de politiek. Grootste knelpunten blijven de uitvoerbaarheid en de kosten. NRC Handelsblad concludeerde dan ook: “Het wordt buitengewoon ingewikkeld om Nederlanders recht te geven op een AOW-uitkering, of een soortgelijke regeling, als ze een bepaald aantal jaren gewerkt hebben, bijvoorbeeld 45”.

Van belang daarbij is verder wat we moeten verstaan onder ‘eerder met pensioen’ in dit kader. Betekent dat dat de AOW mag ingaan na 45 dienstjaren? Dat blijkt lastig vorm te geven omdat de AOW niet is gekoppeld aan dienstjaren, maar aan jaren dat iemand ingezetene is van Nederland. Iemand die 50 jaar in Nederland woont en nooit één dag in dienstverband heeft gewerkt, heeft recht op een volledige AOW. Het koppelen aan de pensioeningangsdatum in de tweede pijler is wel te doen, zij het dat bij gebrek aan een volledige diensttijdadministratie wellicht van een deel fictieve diensttijd uitgegaan moet worden, zoals dat bij de invoering van de diensttijdafhankelijke WW-uitkering ook gebeurde.

In 2018 gaven wij aan hoe een maatschappelijke oplossing om na 45 jaar werken met pensioen te kunnen via de fiscaliteit in de tweede pijler gerealiseerd kan worden. Zie ons nieuwsbericht van 19 oktober 2018. Dit is wat ons betreft het vierde mogelijke scenario.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Rapport Onderzoek 45 dienstjaren

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 2 februari 2021.