Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Nabetaling AOW belast in jaar van ontvangst

4 juni 2019

Een nabetaling van AOW is volgens de Wet op de inkomstenbelasting belast in het jaar van ontvangst. Middeling van inkomen kan het progressienadeel verminderen bij overschrijding van het grensbedrag van de middelingsregeling.

Nabetaling AOW

X geniet een AOW-uitkering. Omdat hij gedurende de periode mei 2011 tot en met april 2015 te weinig AOW heeft ontvangen, kreeg X in 2015 een nabetaling ter grootte van € 17.906 bruto. Op deze nabetaling is geen loonbelasting ingehouden.

X gaf voor het jaar 2015 belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) aan van € 28.843. De aanslag is conform de aangifte opgelegd. X krijgt een aanslag ter grootte van € 3.368 plus € 187 belastingrente. X maakt bezwaar en gaat, nadat de inspecteur de aanslag en belastingrente ongewijzigd handhaaft, in beroep.

In geschil is of het gehele bedrag van de nabetaling behoort tot het inkomen over 2015. X stelt zich op het standpunt dat dit niet het geval is en dat de nabetaling moet worden toegerekend aan de jaren waarop deze betrekking heeft en vordert een vermindering van de aanslag 2015 tot een belastbaar inkomen van € 14.697.

Nabetaling toerekenen aan jaar van ontvangst

Volgens de inspecteur is de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd. De rechtbank is het daarmee eens.

Op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (artikelen 3.100, 3.101 en 3.146 eerste lid) wordt een AOW-uitkering geacht te zijn genoten op het moment waarop de uitkering is ontvangen, verrekend, ter beschikking is gesteld of vorderbaar en tevens inbaar is geworden. Aangezien X de nabetaling heeft ontvangen in 2015 behoort de nabetaling voor het hele bedrag tot zijn inkomen over 2015.

Tegen de belastingrente heeft X geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd. Dat die belastingrente ten onrechte of naar een onjuist bedrag in rekening is gebracht heeft X niet gesteld en is evenmin gebleken. Het gelijk is dus aan de belastingdienst.

Ten overvloede merkte de rechtbank nog op dat het uitsmeren van de nabetaling over de jaren waarop die betrekking heeft (althans het voor de middelingsregeling in aanmerking komende tijdvak) voor eiser niet of nauwelijks enig voordeel zou opleveren. De voor middeling vereiste minimale teruggaaf zou daarmee niet worden overschreden.. Verder merkt de rechtbank nog op dat de rechter, op grond van artikel 11 van de Wet algemene bepalingen, moet rechtspreken volgens de wet en het de rechter niet is toegelaten de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen.

Commentaar

De uitspraak is niet verrassend. De wet is duidelijk wanneer inkomen belast is. Ook wanneer er sprake is van een nabetaling.

Bij een nabetaling is er meestal sprake van het zogenoemde ‘progressienadeel’. Het extra inkomen in enig jaar kan er voor zorgen dat dit inkomen in een hogere belastingschijf valt dan wanneer het inkomen wel was betaald in de jaren waarin het uitgekeerd had moeten worden. Bij X scheelt dit bijna € 500 aan inkomstenbelasting. De wetgever biedt voor situaties met een fors hoger belastbaar inkomen in één jaar de zogenoemde ‘middelingsregeling’ aan. Bij die regeling mag het hogere belastbaar inkomen in het ene jaar verdeeld worden over drie aaneensluitende kalenderjaren. Wanneer het verschil in belasting hierdoor groter is dan € 545 (2019), dan kan van de middelingsregeling gebruik gemaakt worden. Meer informatie over deze regeling vindt u op de website van de belastingdienst. Deze regeling bood X echter geen soelaas omdat het verschil in belastingheffing bij gebruikmaking van deze regeling lager was dan de drempel die voor deze regeling geldt. Mogelijk dat X daarop probeerde om de nabetaling belast te krijgen in alle jaren waarin hij te weinig AOW ontving en waarop deze nabetaling betrekking heeft. Helaas voor X kan de rechter niet anders dan de wet toetsen. En die biedt de Wet de door X gewenste mogelijkheid niet.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 3 juni 2019

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Den Haag, 7 mei 2019