Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Nadere verdeling pensioen Boon/Van Loon, geen rechtsverwerking

Nadere verdeling pensioen Boon/Van Loon, geen rechtsverwerking

29 juni 2021

X en Y regelden in verband met hun echtscheiding op 30 juli 1986 de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap in het echtscheidingsconvenant. Nadat X in 2013 65 jaar is geworden ontstaat verschil van mening over de verdeling van het pensioen.

27 jaar na scheiding pensioenverdeling opgeëist

X en Y trouwden in 1971 in algehele gemeenschap van goederen. Op 9 september 1986 sprak de rechtbank Groningen de echtscheiding uit waarna de scheiding op 5 januari 1987 werd ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

X bouwde voor en tijdens het huwelijk pensioen op bij twee werkgevers. In het echtscheidingsconvenant dat X en Y op 30 juli 1986 ondertekenden, verdeelden zij onder meer de huwelijksgoederengemeenschap. Volgens het convenant bestaat die huwelijksgoederengemeenschap - voor zover X en Y bekend - uit een woning, een hypothecaire verplichting, een doorlopend krediet, een debetstand op een bankrekening, een auto, inboedelgoederen en huisraad.

In 2013 is X 65 jaar geworden; vanaf februari 2013 heeft hij recht op uitkering van de opgebouwde pensioenaanspraken.

In 2019 vordert Y bij de rechter dat X haar alsnog een brutobedrag € 9.602,32 betaalt, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening en met ingang van 1 januari 2019 maandelijks een brutobedrag € 123,63, te vermeerderen met het jaarlijkse indexeringscijfer. De rechter wees de vorderingen van Y toe.

Geen rechtsverwerking of niet redelijk en billijk

X gaat in hoger beroep met twee grieven. Hij vraagt het vonnis van de rechtbank te vernietigen. Volgens X heeft er rechtsverwering plaatsgevonden, en/of is de eis van Y in strijd met de redelijkheid en billijkheid waardoor haar vordering beperkt moet worden.

Bij X en Y is niet in geschil dat de vóór en tijdens hun huwelijk door X opgebouwde pensioenrechten gelet op het arrest van de Hoge Raad van 27 november 1981 (ECLI:NL:HR:1981:AG4271, Boon/Van Loon) deel uitmaakten van de huwelijksgoederengemeenschap en dat die pensioenrechten bij de verdeling van die gemeenschap in beginsel door middel van verrekening in aanmerking moesten worden genomen, ervan uitgaande dat recht op verrekening bestaat ten belope van de helft van de waarde van het deel van het pensioen dat vóór de ontbinding van de gemeenschap was opgebouwd.

Om rechtsverwerking te kunnen aannemen is volgens het hof (en eerdere rechtspraak) nodig dat “de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad is enkel tijdsverloop daarvoor onvoldoende. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, of waardoor de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt (vgl. HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2574).”

Het hof is (net als de rechtbank) van oordeel dat geen sprake is van rechtsverwerking omdat X in 2012 Y zelf heeft benaderd om haar te vragen of zij recht heeft op een deel van zijn pensioen. Vervolgens hebben X en Y over en weer contact gehad, waarbij Y duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat zij aanspraak wil maken op verrekening van het door X opgebouwde pensioen. Dat zij daarop tussen juli 2013 en februari 2018 niet is teruggekomen, is volgens het hof onvoldoende om te oordelen dat Y bij X het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat zij haar aanspraak op nadere verdeling van de pensioenrechten niet meer geldend zal maken. Ook is niet gebleken dat de X onredelijk wordt benadeeld doordat Y alsnog aanspraak maakt op deze nadere verdeling.

Tijdens de mondelinge behandeling betwistte X de berekeningen die ten grondslag liggen aan de door Y gevorderde bedragen niet. Hij voerde wel aan dat de redelijkheid en billijkheid vergen dat de hoogte van de vorderingen beperkt moet worden. Volgens het hof moet X worden geacht de vorderingen van Y te voldoen. Het hof ziet daarom  geen aanleiding voor matiging op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid.

Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.

Commentaar

Deze zaak heeft betrekking op een scheiding in 1986 die werd ingeschreven in de burgerlijke stand in 1987. Maar liefst 34 jaar geleden! Hoe lang gewijzigde wetgeving nog kan doorwerken laat deze uitspraak maar weer zien. Sinds 1 mei 1995 bestaat de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.

Dat een beroep op rechtsverwerking lastig is, laten eerdere uitspraken wel zien. Zie bijvoorbeeld ook onze nieuwsberichten van 24 april 2018. En dat een beroep op het Boon/ van Loon arrest zoveel jaar na dato regelmatig met succes gebeurt, laten ook eerdere uitspraken zien. Wij schreven daarover diverse keren, zie bijvoorbeeld de nieuwsberichten van 17 oktober 2018, 3 oktober 2019 en 13 november 2019.  

Dit bericht is geschreven naar de stand van zaken op 28 juni 2021

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Arnhem Leeuwarden, 15 juni 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:5827