Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Nakoming pensioentoezegging en instemming met wijziging

4 maart 2019

De werkgever van A zou bij zijn indiensttreding hebben toegezegd dat hij met terugwerkende kracht zou worden opgenomen in de eindloonregeling. Volgens de rechter kon A deze toezegging niet aantonen. Tevens heeft A zijn instemmingsrecht bij wijziging van de eindloonregeling in een middelloonregeling verwerkt.

Nakoming en wijziging pensioentoezegging

De heer A treedt in 1974 in loondienst van Limonadefabriek B. In 1979 wordt A, op 25 jarige leeftijd, opgenomen in de pensioenregeling van de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Drankenindustrie (Bpf Drankenindustrie).

Op 1 januari 1991 is A in loondienst getreden van HGB. Limonadefabriek B en HGB behoorden tot 1996 tot hetzelfde concern. Bij zijn indiensttreding bij HGB is A gaan deelnemen in de pensioenregeling van HGB. Dit betrof een zogenaamde eindloonregeling met een jaarlijkse opbouw van 1,75% van de pensioengrondslag. Het pensioen van HGB was ondergebracht bij Delta Lloyd. In 2004 werd de pensioenregeling van HGB omgezet in een middelloonregeling.

Begin 2004 heeft, met instemming van A, de waardeoverdracht aan Delta Lloyd plaatsgevonden van de door A bij Bpf Drankenindustrie opgebouwde pensioenrechten. Daarmee zijn in de eindloonregeling 3,58 pensioenjaren ingekocht. In verband met deze waardeoverdracht heeft HGB in september 2005 aan Delta Lloyd een backservice koopsom betaald van € 11.611.

In de mail van 15 september 2004 mailde A het volgende aan B, bestuurder bij HGB:

“Ik heb je onderstaande verslag even doorgenomen. Wat betreft de pensioenvoorziening lijkt het mij goed om de afspraken duidelijk in beeld te hebben. Bij de overgang van mijn pensioen naar Delta Lloyd is het opgebouwde pensioenrecht verminkt. De zogenaamde pensioenbreuk. Hierdoor is het aantal op te bouwen jaren maximaal 31,6667 terwijl dit 40,000 dient te zijn. (Je wordt op je 25e opgenomen in het pensioen en bouwt op tot je 65e = totaal 40 jaren). Bij de overstap is destijds expliciet afgesproken dat dit door de Brouwergroep voor [C] en ondergetekende zou worden opgelost.

Ik wacht die oplossing in spanning af.

De overgang van eindloon naar middelloon is, wanneer het bovenstaande netjes is opgelost, voor mij geen probleem.”

Op 12 februari 2008 hebben A en B gesproken over een loonsverhoging waarbij ook de pensioenregeling ter sprake is geweest.

Op 17 oktober 2012 heeft HGB A op staande voet ontslagen. Een door A gevorderde schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag werd door het Gerechtshof afgewezen.

A sommeert in zijn brief van 25 juni 2014 HGB tot nakoming van de pensioentoezegging.

Pensioentoezegging

Het hof stelt vast dat A van mening is dat HGB hem bij indiensttreding in 1991 toezegde dat hij vanaf 1979 zou deelnemen in de eindloonregeling van HGB. Deze toezegging wijkt af van de bepalingen in het pensioenreglement. Daarin staat dat alleen pensioen wordt opgebouwd vanaf de datum van indiensttreding. Nu bij de waardeoverdracht 3,58 pensioenjaren zijn ingekocht in de eindloonregeling mist A nog ruim 8 dienstjaren.

Volgens het hof bevat het dossier geen bewijsstukken voor het bestaan van deze pensioentoezegging uit 1991. Evenmin blijkt daaruit dat de pensioentoezegging een punt van discussie is geweest tussen A en HGB voordat in 2003 de waardeoverdrachtprocedure is begonnen. De mail van A van 15 september 2004, waarin hij aan de gemaakte afspraak refereert, is onvoldoende bewijs dat HGB een dergelijke toezegging in 1991 aan A heeft gedaan. Ook uit andere stukken blijkt niet dat HGB een dergelijke toezegging heeft gedaan.

A is van mening dat HGB de voorwaarde die hij in zijn e-mail van 15 september 2004 stelde heeft aanvaard doordat zij ook zijn pensioen heeft ondergebracht in de nieuwe pensioenregeling op middelloonbasis. Het hof vindt dat deze voorwaarde als een tegenvoorstel moet worden aangemerkt. Volgens het hof blijkt uit niets dat dit tegenvoorstel is aanvaard door HGB. Dat HGB conform haar eigen voorstel heeft gehandeld kan niet worden aangemerkt als een stilzwijgende aanvaarding van het tegenvoorstel van A. A heeft niet of onvoldoende aangetoond dat HGB heeft toegezegd A vanaf 1979 op te nemen in de eindloonregeling.

Voorwaardelijke instemming wijziging eindloon in middelloon

A stelt dat hij slechts heeft ingestemd met de wijziging van eindloon naar middelloon als HGBvoldeed aan opname in de eindloonregeling vanaf 1979. Omdat HGB dit niet heeft gedaan, is er volgens de rechter nimmer sprake is geweest van een onvoorwaardelijke instemming door A met de overgang naar een middelloonpensioenregeling.

A is in een gesprek van februari 2008 met één van de gedane voorstellen voor een aanzienlijke loonstijging akkoord gegaan. Hij is na 2008 tot zijn ontslagdatum niet meer tegenover HGB over de pensioentoezegging begonnen, terwijl hij wist dat de middelloonregeling werd toegepast en geen verdere stortingen voor backservice plaatsvonden. De stelling van A dat hij na 2008 in de veronderstelling mocht verkeren dat HGB zijn pensioenclaim alsnog zou hebben gehonoreerd omdat HGB een backservicebetaling had verricht, kan het Hof niet volgen. Immers de enige backservicebetaling waarvan in de stukken sprake is, is de betaling van september 2005. Door zijn claim op een hogere pensioenopbouw na februari 2008 tot zijn ontslagdatum te laten rusten en hem gedane salarisvoorstellen te accepteren heeft A het vertrouwen gewekt dat de pensioenkwestie was afgedaan waardoor HGB niet meer de mogelijkheid had om de claim op een hoger pensioen te verwerken in het salarisbeleid. Het hof onderschrijft dan ook de redenering van de kantonrechter dat A zijn rechten tot verdere nakoming van de pensioenopbouw op eindloonbasis heeft verwerkt.

Commentaar

A was directeur van HGB. Volgens hem heeft HGB bij zijn aanstelling toegezegd dat HGB hem vanaf 1971 zou opnemen in de eindloonregeling. De partij die stelt, moet bewijzen. Dat was in dit geval lastig omdat deze afspraak niet overeen kwam met het pensioenreglement van HGB. A slaagde er ook niet in om op een andere manier te bewijzen dat HGB hem een dergelijke toezegging had gedaan. Het is zaak dat partijen een dergelijke afwijkende afspraak schriftelijk documenteren. In dat geval zou een procedure als de onderhavige niet nodig zijn.

A stemde onder voorwaarde in met de wijziging van de eindloonregeling in de middelloonregeling. HGB voldeed niet aan die voorwaarde. Daardoor heeft A nooit onvoorwaardelijk ingestemd met deze wijziging. En dat is wel een vereiste. Maar instemming kan ook door gedragingen van de deelnemer. Omdat A wist dat zijn pensioen voortaan volgens een middelloonregeling werd opgebouwd en hier verder niet meer aan refereerde, bepaalde de rechter dat A zijn instemmingsrecht had verwerkt.

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 februari 2019

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 1 maart 2019