Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Nederland mag heffen over eenmalige uitkering uit Belgische pensioenregeling omdat uitbetaling plaatsvindt na ingangsdatum pensioen.

Nederland mag heffen over eenmalige uitkering uit Belgische pensioenregeling omdat uitbetaling plaatsvindt na ingangsdatum pensioen.

4 juni 2020

Inwoner van Nederland is deelnemer in Belgische pensioenregeling. Hij kiest voor een eenmalige uitkering. Omdat die is uitbetaald na zijn pensioeningangsdatum is de uitzondering van artikel 18, lid 3 Belastingverdrag Nederland België niet van toepassing en is Nederland als woonstaat bevoegd om belasting te heffen over de eenmalige uitkering.

Belgische pensioenregeling kent keuze voor eenmalige uitkering

X woont het gehele jaar 2015 in Nederland. Hij is deelnemer in een pensioenregeling van zijn Belgische werkgever waarvoor een zogenoemd ‘groepsverzekeringscontract’ was afgesloten bij een Belgische pensioenverzekeraar. De pensioeningangsdatum van X is 1 mei 2015. Op 7 februari 2015 ontvangt X bericht dat hij bij leven op 1 mei 2015 kan kiezen voor een eenmalige uitkering van zijn pensioen of een periodieke uitkering. Op 9 maart 2015 ontvangt X een brief van de pensioenverzekeraar waarin deze aangeeft welke formaliteiten X moet vervullen om de uitkering uit het groepsverzekeringscontract te ontvangen. Hij moet daarvoor een aantal formulieren en documenten (laten) invullen en aan de pensioenverzekeraar toesturen.

X stuurt op 19 maart 2015 een brief aan de Nederlandse Belastingdienst waarin hij vraagt; “om te voorkomen dat ik in België over dit pensioen ook (bron)belasting zou moeten betalen is het nodig dat ik een door Uw dienst ingevuld attest naar de pensioenverzekeraar opstuur. Ik verzoek u derhalve om dit attest verder ingevuld en voorzien van een stempel naar mij terug te sturen zodat ik dit zo spoedig mogelijk met nog andere documenten kan terugsturen naar de pensioenverzekeraar in België.” 
De Belastingdienst stuurt op 2 april 2015 X een woonplaatsverklaring toe.

Op 23 maart 2015 vult X het ‘uitbetalingsformulier’ in. Daarin geeft hij aan te kiezen voor een uitkering ineens op het door hem ingevulde bankrekeningnummer. De pensioenverzekeraar stuurt hem op 8 april 2015 een herinneringsbrief met dezelfde inhoud als de eerder genoemde brief van 9 maart. Op 10 april 2015 stuurt X een e-mail naar de pensioenverzekeraar met daarbij als bijlagen de gevraagde documenten. Daarbij geeft hij aan; “hiermee kan de storting van mijn groepsverzekeringscontract gestart worden”. Op 5 mei 2015 ontvangt X een eenmalige uitkering van bijna € 75.000 op zijn bankrekening.

Belastbaar in België of in Nederland?

Bij de vraag wie heffingsbevoegd is, België of Nederland, speelt het Belastingverdrag Nederland-België van 5 juni 2001 een belangrijke rol. Artikel 18 van dit Verdrag bepaalt dat in beginsel de woonstaat (in dit geval dus Nederland) mag heffen over pensioenen en soortgelijke beloningen ter zake van een vroegere dienstbetrekking. In het derde lid van dit artikel is een uitzondering opgenomen voor gevallen waarin sprake is van een uitkering die geen periodiek karakter draagt én waarvan uitbetaling plaatsvindt vóór de datum waarop dit pensioen of deze andere soortgelijke beloning in zou moeten gaan. In dat geval mag ook de werkstaat (in dit geval dus België) heffen.
X geeft de ontvangen eenmalige uitkering in zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2015 aan als buitenlandse inkomsten uit vroegere arbeid en vraagt daarvoor een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting.
De inspecteur weigert deze aftrek omdat volgens hem de uitzondering van artikel 18, lid 3 van het Verdrag niet van toepassing is doordat de uitkering is gedaan na 1 mei 2015. X stelt in bezwaar en beroep daar primair tegenover dat de uitbetaling heeft plaatsgevonden vóór de pensioendatum en subsidiair dat het begrip ‘uitbetaling’ ruim moet worden opgevat. Volgens hem moet daarom zijn correspondentie met de pensioenverzekeraar waarin hij verzoekt om uitbetaling in aanmerking worden genomen als datum van uitbetaling. Tevens vindt hij dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden door de uitkering die slechts enkele dagen later is uitbetaald in Nederland in de belastingheffing te betrekken. De rechtbank wijst het beroep van X af, waarop X in hoger beroep gaat hij het hof.

Het gaat bij de toepassing van artikel 18 van het Verdrag om twee aspecten. Er moet sprake zijn van een pensioen dat geen periodiek karakter heeft en uitbetaling vindt plaats vóór de datum waarop het pensioen in zou moeten gaan. Het pensioen zou ingaan op 1 mei 2015 en is uitbetaald op 5 mei 2015. Volgens de rechtbank is dus niet voldaan aan de in het derde lid van artikel 18 van het Verdrag gestelde voorwaarde. De rechtbank gaat dan ook niet mee in de stelling van X dat voor de uitleg van dit artikel van een andere pensioendatum kan worden uitgegaan zoals de datum waarop de AOW-uitkering ingaat of de Nederlandse pensioengerechtigde leeftijd. De rechtbank oordeelt dat X niet aannemelijk heeft gemaakt dat de uitkering in het kader van afkoop plaatsvond als bedoeld in artikel 18, derde lid van het Verdrag (dus uitbetaling vóór de ingangsdatum). Daarom behoeft volgens de rechtbank het beroep van X op uitleg van het woord ‘uitbetaling’ en de schending van het evenredigheidsbeginsel, die X eveneens koppelde aan het moment van uitbetaling geen behandeling.

Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank. En voegt daar nog aan toe dat uit de brief van X aan de Belastingdienst van 19 maart 2015, juist blijkt dat X niet in België maar in Nederland belasting wilde betalen. Volgens het hof maakt X daarmee de intentie om de uitkering eerder tot uitbetaling te laten komen dan de contractuele datum van 1 mei 2015 niet aannemelijk.

Het hof concludeert dan ook dat Nederland op grond van artikel 18, lid 1, van het Verdrag de heffingsbevoegdheid heeft over de uitkering.

Commentaar

De rechtbank en het hof gaan beide uit van een zeer letterlijke interpretatie van artikel 18 van het Verdrag. Uitbetaling op 15 mei 2015 vindt plaats na de pensioeningangsdatum van 1 mei 2015. De uitzondering van het derde lid van artikel 18 is wat dat betreft duidelijk. Het moment van uitbetalen is exact vast te stellen en het enige criterium. Wat dat betreft is het Verdrag veel eenduidiger dan bijvoorbeeld de Wet IB 2001. Daarin formuleert artikel 4.43 het fiscale genietingsmoment als het tijdstip waarop voordelen zijn ontvangen, verrekend, ter beschikking gesteld, rentedragend zijn geworden of vorderbaar en inbaar zijn geworden. X zat kennelijk op dit spoor toen hij stelde dat het moment van betaling eerder lag omdat hij op 10 april 2015 alle benodigde documenten aan de pensioenverzekeraar instuurde en de uitbetaling in zoverre vorderbaar en inbaar was. Daarbij vergat hij gemakshalve dan nog even dat de pensioenverzekeraar ook de voorwaarde stelde dat hij op 1 mei 2015 nog in leven moest zijn om de keus voor een eenmalige uitkering te maken. In zoverre kon er per definitie geen sprake zijn van een afkoop voor 1 mei 2015. Maar, omdat het moment van uitbetaling het enige en dus doorslaggevende criterium is, konden rechtbank en hof niet tot een andere conclusie komen.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 28 mei 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1651

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 4 juni 2020.