Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Nederland mag heffen over pensioen- en invaliditeitsuitkering

Nederland mag heffen over pensioen- en invaliditeitsuitkering

17 april 2020

Volgens de rechtbank Zeeland-West-Brabant komt het heffingsrecht over een nabestaandenpensioenuitkering van het ABP en arbeidsongeschiktheidspensioen toe aan Nederland.

Nabestaandenpensioen uit arbeidsongeschiktheidsuitkering van het ABP

De heer X woont in Frankrijk. Hij ontvangt uit Nederland, naast zijn AOW-uitkering, een nabestaandenpensioen van het ABP en een arbeidsongeschiktheidsuitkering. X werkte bij een Nederlandse gemeente toen hij arbeidsongeschikt werd. Voordat hij bij de gemeente ging werken werkte hij voor verschillende privaatrechtelijke en publiekrechtelijke werkgevers. Uit de pensioenregeling van zijn overleden echtgenote ontvangt X het nabestaandenpensioen. Zij werkte tot haar overlijden als onderwijzeres in Nederland.

Het ABP houdt loonheffing in op de nabestaandenpensioen- en arbeidsongeschiktheidsuitkering. Volgens de belastinginspecteur heeft Nederland het volledige heffingsrecht over het nabestaandenpensioen en de arbeidsongeschiktheidsuitkering Daar is X het niet mee eens. Hij vraagt de rechtbank om een oordeel.

Wat zegt het belastingverdrag tussen Nederland en Frankrijk?

De artikelen 18 en 19 van het belastingverdrag met Frankrijk bepalen welk land over de uitkeringen mag heffen. De rechtbank baseert zich op deze artikelen.

In artikel 18 staat:

“Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 19, eerste lid, zijn pensioenen en andere soortgelijke beloningen betaald aan een inwoner van een van de Staten ter zake van een vroegere dienstbetrekking, slechts in die Staat belastbaar.”

En artikel 19, eerste lid:

“Beloningen, daaronder begrepen pensioenen, door een van de Staten of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam of een publiekrechtelijke instelling daarvan, hetzij rechtstreeks, hetzij uit door hen in het leven geroepen fondsen, betaald aan een natuurlijke persoon ter zake van diensten bewezen aan die Staat of aan dat onderdeel of dat plaatselijke publiekrechtelijke lichaam of aan die publiekrechtelijke instelling in de uitoefening van overheidsfuncties, mogen in die Staat worden belast.”

Rechter: onderscheid tussen opbouwpensioen en ‘risico’ pensioen

Volgens de rechtbank is voor de artikelen 18 en 19 van het belastingverdrag van belang in hoeverre de uitkering en het pensioen worden betaald voor bewezen diensten aan de Nederlandse overheid. Voor pensioenuitkeringen waarvan de aanspraak in de tijd worden opgebouwd moet de toerekening plaatsvinden naar de opbouw in de periode in overheidsdienst en naar die in de periode in particuliere dienst, aldus de rechter.

Arbeidsongeschiktheidsuitkering

Volgens de rechtbank vindt er geen arbeidsongeschiktheidsuitkering plaats wanneer de arbeidsongeschiktheid zich voordoet nadat de dienstbetrekking is geëindigd. Dan is volgens de rechter voor de bepaling van het heffingsrecht slechts relevant wie de werkgever was toen de arbeidsongeschiktheid ontstond; in dit geval de Nederlandse overheid. Het heffingsrecht komt dan op basis van artikel 19 van het belastingverdrag aan Nederland toe.

De rechtbank stelt de inspecteur volledig in het gelijk voor wat betreft het arbeidsongeschiktheidsuitkering. Voor deze uitkering heeft X niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een regeling waarbij een aanspraak in de tijd wordt opgebouwd.

Nabestaandenpensioen

Tot 1 juli 1999 werd het recht op nabestaandenpensioen dat X krijgt uit de pensioenregeling van zijn overleden echtgenote jaarlijks opgebouwd. Dit nabestaandenpensioen werd voor een deel opgebouwd in een private dienstbetrekking. Het heffingsrecht over dit deel van de nabestaandenuitkering is volgens artikel 18 van het belastingverdrag aan Frankrijk toegewezen, aldus de rechter.

Het nabestaandenpensioen is vanaf 1 juli 1999 vergelijkbaar met de invaliditeitsuitkering. Op 1 juli 1999 werd de regeling namelijk gewijzigd in een nabestaandenpensioen op risicobasis. Vanaf dat moment is er volgens de rechter niet langer sprake van een aanspraak die jaarlijks wordt opgebouwd. Voor dit deel is daarom slechts relevant wie de laatste werkgever van de echtgenote. Aangezien de laatste werkgever van de echtgenote van publiekrechtelijke aard is, komt het heffingsrecht over dit deel aan Nederland toe.

Commentaar

Veel belastingverdragen die Nederland heeft gesloten wijzen het heffingsrecht over pensioenen, lijfrenten en sociale zekerheidsuitkeringen toe aan het woonland. Pensioenen uit een publiekrechtelijke functie worden daarentegen vaak toegewezen aan het land waarvoor die publiekrechtelijke functie is vervuld. Zo ook het belastingverdrag tussen Nederland en Frankrijk.

Volgens een arrest uit 1994 (HR 23 november 1994, BNB 1995/117) is een overheidspensioen als zodanig aan te merken wanneer een publiekrechtelijke instelling de pensioenpremie heeft betaald.

Maar wat wanneer een pensioen gedeeltelijk voortvloeit uit een overheidsbetrekking en voor een deel uit een dienstbetrekking in de private sector? Dan vindt de toewijzing naar evenredigheid plaats, tenzij het pensioen op risicobasis is verzekerd. In die situatie is volgens de rechtbank bepalend wanneer het risico uit hoofde waarvan de uitkering wordt verkregen zich voordeed: op het moment dat de publiekrechtelijke dienstbetrekking bestond of de privaatrechtelijke.

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13-03-2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:1185

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 16 april 2020