Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Nederland mag heffen over VS stamrecht-uitkering

22 april 2016

X ontving een ontslagvergoeding in verband met ontslag uit een dienstbetrekking in de VS. De uitkering ineens uit de stamrecht-BV van X is in Nederland belast. X maakt bezwaar en stelt dat de VS mogen heffen. Rechtbank Noord-Holland doet uitspraak. Maar die uitspraak roept een aantal vragen op.     

X werkt in VS en wordt ontslagen 

De heer X werkte vanaf 1981 bij een werkgever in de VS. Vanaf 2005 tot en met 2011 vervulde X de functie van Vice President Technical Services. Tot het einde van deze dienstbetrekking woonde X in de VS.
Als gevolg van een wereldwijde reorganisatie ontsloeg de werkgever X in 2011. De ontslagvergoeding die X in verband met het ontslagtraject ontving, bracht hij in 2012 in Nederland onder in een door hem opgerichte stamrecht-BV. Daarbij maakte hij gebruik van de toen geldende stamrechtvrijstelling waardoor er geen inhouding van loonheffing plaatsvond. 

In 2014 keerde de BV het stamrechtkapitaal in één keer uit. Hierover droeg de BV loonheffing af over 80% van de waarde. De stamrecht-BV (dus X) betwist de heffingsbevoegdheid van Nederland over de uitkering. 

Rechtbank Noord-Holland: Nederland mag heffen

Met ingang van 1 januari 2014 is voor ontslagvergoedingen de stamrechtvrijstelling afgeschaft. Volgens het overgangsrecht voor bestaande stamrechten verviel de eis dat het stamrecht in periodieke uitkeringen moet worden uitbetaald. Daarnaast bepaalde de wetgeving dat voor stamrechten die in 2014 in één keer werden uitgekeerd, de waarde van de aanspraak voor 80% in de belastingheffing wordt betrokken. 

Het belastbare feit is dus de uitkering van het stamrechtkapitaal in één keer in 2014. Een in Nederland gevestigde inhoudingsplichtige deed deze uitkering aan een inwoner van Nederland. Dit betreft een louter nationale situatie. De rechtbank is het niet eens met de stelling van de BV dat, gelet op het arbeidsverleden van X in de VS, sprake is van een uitgesteld heffingsmoment. Hierop zou het Verdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing tussen de VS en Nederland van toepassing zijn. Maar volgens de rechtbank valt de uitkering niet onder artikel 16 van het verdrag noch onder enige andere bepaling van het verdrag. Dat de uitkering haar oorsprong vindt in een ontslagvergoeding (welke vergoeding op zich binnen het bereik valt van artikel 16 van het Verdrag) maakt dat niet anders.

Rechtbank Noord-Holland beslist dat Nederland heffingsbevoegd is over de door de BV gedane uitkering.

Commentaar

Volgens de rechtbank mag Nederland heffen over de uitkering in 2014 omdat het een nationale situatie betreft. Het internationale aspect deed zich twee jaar eerder voor. In 2012 ontving X immers de ontslagvergoeding van zijn Amerikaanse werkgever. Op dat moment moet naar het belastingverdrag en de jurisprudentie worden gekeken aan welk land het heffingsrecht toekomt. 

De uitspraak geeft hier geen informatie over, maar het ligt voor de hand dat de arresten van Hoge Raad van 11 juni 2004 een belangrijke rol spelen. De Hoge Raad besliste toen over de belastingheffing bij een grensoverschrijdende ontslagvergoeding. De Hoge Raad gaf voor de verdeling een richtlijn: bij een ontslagvergoeding moet de bevoegdheid tot belastingheffing in een grensoverschrijdende situatie worden verdeeld op basis van het arbeidsverleden. Volgens deze richtlijn is dit de periode van de laatste vier kalenderjaren voorafgaand aan het jaar waarin ontslag is verleend en de periode van 1 januari tot aan de datum van het ontslag. Aanvullende voorwaarde is dat de ontslagvergoeding ten laste moet komen van de werkgever die gevestigd is in de betreffende werkstaat. Op basis hiervan zou het heffingsrecht aan de VS toe moeten komen. Maar blijkbaar is dat in deze zaak niet gebeurd. Wij vinden het een wat aparte situatie. Op basis van de summiere gegevens lijkt het voor de hand te liggen dat de VS heffingsrecht zouden moeten hebben over de ontslagvergoeding. Het gevolg daarvan is dat het kapitaal in Nederland verder onbelast is. Maar de dat blijkt niet zo te zijn; de uitkering is immers ondergebracht in een stamrecht-BV. Dit impliceert dat Nederland het heffingsrecht over de uitkering had. En in dat geval is het logisch dat op het moment van afkoop Nederland heffingsbevoegd is. Maar een combinatie van heffingsrecht toekomen aan de VS en gebruik maken van een Nederlandse stamrechtvrijstelling lijkt ons moeilijk te realiseren. Het is volgens ons het een of het ander. Het lijkt erop dat deze situatie niet voldeed aan de voorwaarden van de richtlijn van de Hoge Raad. Maar helaas geeft de uitspraak hierover geen verdere informatie.  

Overigens hebben de arresten van de Hoge Raad hun betekenis verloren na het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 1 mei 2015. In dat besluit volgt de staatssecretaris de toelichting van de OESO op grensoverschrijdende ontslagvergoedingen. Zie verder ons nieuwsbericht van 11 mei 2015

 

Auteur: Erik Schouten, adviseur internationale pensioenen Aegon Adfis

Bron: Uitspraak Rechtbank Noord-Holland, 6 april 2016

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 19 april 2016.