Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws In Nederland wonende grensarbeider is niet vergelijkbaar met in Nederland werkende grensarbeider

In Nederland wonende grensarbeider is niet vergelijkbaar met in Nederland werkende grensarbeider

14 april 2021

X woont in België. Hij werkte eerst voor een in België gevestigd en later voor een in Nederland gevestigd onderdeel van een internationaal concern. Hij zet na overplaatsing naar Nederland zijn Belgische pensioenregeling voort. Door een afkoopmogelijkheid is deze regeling naar Nederlandse maatstaven onzuiver. De situatie van X is niet vergelijkbaar met die van een in Nederland wonende grensarbeider. Hof Den Bosch paste volgens Hoge Raad ten onrechte gelijkheidsbeginsel toe.

Voortzetting van deelname aan Belgische pensioenregeling

X woont in België en werkt voort een internationaal concern. Eerst voor een in België gevestigd onderdeel, van 1978 tot juli 2007. Vanaf 1 juli 2007 werkt hij voor een in Nederland gevestigd onderdeel. X zet na 1 juli 2007 zijn deelname aan de Belgische pensioenregeling voort. Deze pensioenregeling kent de mogelijkheid om op of na de pensioendatum te kiezen voor afkoop van de pensioenaanspraken tegen betaling van een bedrag ineens.

Gedurende de periode 1 juli 2007 tot 1 juli 2012 was de pensioenregeling op grond van het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 9 oktober 2015 (DGB2015/7010/M) aangewezen als een zuivere pensioenregeling waarvoor de omkeerregel geldt. Een dergelijke aanwijzing geldt voor maximaal vijf jaar, zodat de Belastingdienst de pensioenregeling in 2013 aanmerkte als onzuiver en de daaruit voortvloeiende pensioenaanspraken belastte.

De rechtbank Zeeland-West-Brabant stelde de Belastingdienst in het gelijk, maar het hof Den Bosch vernietigde deze uitspraak in hoger beroep met een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Het hof Den Bosch was van mening dat X in een gelijke situatie verkeert als een grensarbeider die in Nederland woont en werkt voor een in België gevestigde werkgever, waarbij de werkzaamheden zowel in België als in Nederland worden verricht. In beide situaties komt het heffingsrecht over (een deel van) het loon aan Nederland toe, maar wordt de Belgische pensioenregeling verschillend behandeld. Bij X rekent de Belastingdienst de aanspraak tot het loon, terwijl dit bij een Nederlandse grensarbeider die aan dezelfde pensioenregeling deelneemt niet het geval is. Volgens het Hof is voor de Nederlandse grensarbeider sprake van begunstigend beleid, waarvoor de Belastingdienst geen rechtvaardiging geeft en die het Hof zelf overigens ook niet ziet. Daarom oordeelde het Hof dat X op grond van het gelijkheidsbeginsel recht had op eenzelfde behandeling, zodat ook zijn pensioenregeling onder de omkeerregel bleef vallen na 1 juli 2007.

Voor een uitgebreide weergave van de feiten verwijzen wij naar ons nieuwsbericht van 18 september 2017 (uitspraak rechtbank Zeeland-West-Brabant) en ons nieuwsbericht van 2 april 2019 (uitspraak in hoger beroep hof Den Bosch).

Hoge Raad: geen gelijke gevallen, dus ook geen gelijke behandeling

De Hoge Raad vergelijkt de situatie van de in Nederland wonende grensarbeider met die van de in Nederland werkzame grensarbeider. Voor de in Nederland wonende grensarbeider geldt het arbeidsrecht en pensioenrecht van het land waarin zijn werkgever is gevestigd. Voor de toepassing van de Wet IB 2001 wordt ook als een pensioenregeling beschouwd een pensioenregeling van de andere mogendheid die volgens de belastingwetten van dat land, welke naar aard en strekking overeen komen met de Nederlandse loonbelasting of inkomstenbelasting als een pensioenregeling wordt beschouwd (artikel 1.7, lid 2, letter c Wet IB 2001). Het gaat daarbij om pensioenen waarop aanspraak wordt verkregen door een dienstbetrekking bij een niet in Nederland gevestigde werkgever. De als zodanig in aanmerking komende Belgische pensioenregeling van een grensarbeider die in Nederland woont en die voor een in België gevestigde werkgever werkt, valt onder deze bepaling. In dat geval wordt de omkeeregel ook toegepast op de tijdens de uitoefening van de dienstbetrekking opgebouwde pensioenaanspraken.

Voor de in het buitenland wonende grensarbeider die in Nederland werkt voor een in Nederland gevestigde werkgever geldt het Nederlandse arbeidsrecht en pensioenrecht en is de werkgever inhoudingsplichtig voor de loonbelasting. Dit brengt mee dat voor deze grensarbeider dezelfde regels gelden als die gelden in de binnenlandse situatie. De omkeerregel geldt voor levenslange pensioenen, maar niet voor pensioenen die ook in andere dan in de Pensioenwet bepaalde uitzonderingssituaties kunnen worden afgekocht.

De Hoge Raad concludeert dat uit dit wettelijke regime volgt dat, anders dan het Hof oordeelde, de situatie van X niet gelijk is aan de situatie van een Nederlandse grensarbeider die bij een Belgische werkgever deelneemt aan dezelfde pensioenregeling als die van X en die een deel van zijn werkzaamheden in Nederland verricht. Het voor de heffing van de inkomstenbelasting vrijstellen van de pensioenaanspraak van een in Nederland wonende grensarbeider berust volgens de Hoge Raad namelijk niet op begunstigend beleid, maar op de uitleg en de bedoeling van artikel 1.7, lid 2, letter c Wet IB 2001. Omdat geen sprake is van gelijke gevallen, kan het gelijkheidsbeginsel er niet toe leiden dat X, die een Nederlandse werkgever heeft, hetzelfde moet worden behandeld als een in Nederland werkende grensarbeider die een Belgische werkgever heeft. Daarom betrok het Hof volgens de Hoge Raad ten onrechte in zijn beoordeling of sprake is van begunstigend beleid.

Geen strijd met in VWEU opgenomen vrij verkeer tussen EU-lidstaten

De Hoge Raad stelt voorop dat het overeenkomstig het Nederlandse pensioenrecht voor de loon- en inkomstenbelasting vereiste afkoopverbod om in aanmerking te komen voor de omkeerregel geen onderscheid maakt al naar gelang de vestigingsplaats van de pensioenverzekeraar, de nationaliteit van de werkneer of de plaats waar de werkzaamheden worden verricht. Het verschil in fiscale behandeling van levenslange Nederlandse pensioenregelingen met die van buitenlandse pensioenregelingen die onvoorwaardelijke afkoop toestaan, wordt volgens de Hoge Raad veroorzaakt doordat verschillende lidstaten verschillende voorwaarden stellen aan pensioenregelingen. De omstandigheid dat afkoop volgens het wettelijke kader wel onvoorwaardelijk is toegestaan, leidt naar het oordeel van de Hoge Raad er dus niet toe dat Nederland gehouden zou zijn een Belgische pensioenregeling met afkoopmogelijkheid steeds fiscaal te erkennen. Het verschil in behandeling vormt een dispariteit (een verschil in wetgeving tussen lidstaten) en is dus geen verboden belemmering van het vrije verkeer.

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Commentaar

Zoals wij schreven in ons commentaar bij ons nieuwsbericht over de uitspraak van het Hof, is gelijke behandeling een groot goed. Maar er moet dan wel sprake zijn van gelijke gevallen. Gelijke gevallen moeten gelijk worden behandeld, maar ongelijke gevallen mogen, naar de mate van ongelijkheid, ongelijk worden behandeld. Zoals de Hoge Raad uitvoerig motiveert, is de situatie van de in Nederland wonende grensarbeider niet gelijk aan die van de in Nederland werkende grensarbeider. En dus kon X geen beroep doen op het gelijkheidsbeginsel.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Hoge Raad 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:518

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 13 april 2021.