Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Niet anticiperen op wijziging wetgeving leidt tot korten WW-uitkering

18 maart 2019

X werkt vanaf 2011 tot maart 2013 bij Y, waarna hij een prépensioen ontvangt vanwege zijn dienstverband bij Y. In juni 2013 treedt X in dienst bij Z. Het dienstverband van X eindigt in juni 2016. Hierna vraagt X een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aan. Het UWV kort de WW-uitkering met de uitkering van het prépensioen. X is het daar niet mee eens.

Wijziging Algemeen Inkomensbesluit Sociale Verzekeringen (AIB)

X begrijpt dat een prépensioen wordt gekort op de WW-uitkering, als dit prépensioen voortvloeit uit de dienstbetrekking, waar de WW-uitkering op volgt. Maar in januari 2015 werd een wijziging aangekondigd van artikel 3.5 lid 7 en toevoeging van lid 8 van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB). Deze wijziging hield in dat de WW-uitkering niet hoeft te worden gekort met een uitkering (prépensioen) die door de uitkeringsgerechtigde al werd ontvangen voorafgaand aan het ontstaan van de dienstbetrekking waaruit het recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet is ontstaan. Deze wijziging van het AIB is ingegaan op 1 juli 2015, maar op 9 oktober 2015 is de wijziging met terugwerkende kracht weer ingetrokken. De reden hiervoor was dat het UWV meer tijd nodig had om de gevolgen van deze wijziging te verwerken. Uiteindelijk is deze wijziging pas op 1 mei 2018 ingegaan. X is van mening dat het UWV moet anticiperen op deze wetgeving, omdat X erop mocht vertrouwen dat de aanpassing van het AIB op 1 juli 2015 voor hem geldt.

De Centrale Raad van Beroep (Raad) oordeelt anders. Het is volgens de Raad duidelijk dat toen X werkloos werd in 2016 de betreffende wijziging in het AIB al ongedaan was gemaakt. En dat daarom het UWV niet hoeft te anticiperen op de wijzigingen die in 2018 pas in zijn gegaan.

Mag de wetgever wetswijzigingen laten ingaan en later weer intrekken?

De Raad geeft aan dat volgens vaste rechtspraak in het algemeen geldt dat het aan de materiële wetgever is voorbehouden om alle betrokken belangen af te wegen en dat de rechter het resultaat daarvan moet respecteren. Ze wijkt alleen af bij uitzondering indien aan de inhoud of de wijze van totstandkoming van een algemeen verbindend voorschrift ernstige gebreken kleven. Hier is sprake van een aanvullende uitzondering op de hoofdregel en heeft de besluitgever bij het bepalen van de datum van inwerkingtreding van deze wijziging van het AIB een ruime beslissingsruimte. Er is door de wetgever goed afgewogen of de wetgeving wel of niet eerder kon ingaan en er is vanuit het parlement op dit punt geen correctie gevraagd. De Raad is van mening dat er daarom geen reden is om te oordelen dat de materiële wetgever niet in redelijkheid tot het besluit tot latere inwerkingtreding heeft kunnen besluiten.

In strijd met gelijkheidsbeginsel?

X geeft aan dat bestreden besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, omdat hij niet in juni 2016 profiteert van een aangekondigde wijziging van het AIB. De Raad oordeelt dat de situatie van X in juni 2016 niet gelijk is aan de situatie van een uitkeringsgerechtigde die per een latere datum in aanmerking komt voor een WW-uitkering. Bovendien blijkt nergens uit dat niet alle gevallen vóór de inwerkingtreding van de bedoelde wijzigingen van artikel 3:5 van het AIB per 1 mei 2018 op dezelfde wijze door het UWV zijn behandeld. Hierdoor is er geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel.

In strijd met vertrouwensbeginsel?

De Raad oordeelt dat ook geen sprake is van strijd met vertrouwensbeginsel. Het gewijzigde artikel gold weliswaar een korte periode, maar dit was een omissie en die is bij besluit van 9 oktober 2015 met terugwerkende kracht hersteld. Op het moment dat het prepensioen van X inging en op het moment dat het dienstverband van X eindigde in juni 2016, waren de inhoud en de strekking van artikel 3:5 van het AIB duidelijk.

Commentaar

X probeert alsnog te profiteren van een wijziging in het AIB die al in juli 2015 inging, maar om uitvoeringsredenen vervolgens met terugwerkende kracht is ingetrokken om vervolgens per 1 mei 2018 alsnog van kracht is gegaan. Snapt u het nog? Zie over deze wijziging ook ons nieuwsbericht van 21 juni 2018.

Op zich is het niet vreemd dat X vraagt om te anticiperen op deze wijziging in de wet, aangezien het de bedoeling was van de wetgever om deze wijziging eerder te laten ingaan. X zit in de situatie die de wijziging beoogt, maar het UWV was er nog niet klaar voor. De rechter mag en wil niet op de stoel van de wetgever gaan zitten. Omdat hier geen sprake is van een voorschrift met ernstige gebreken en het alleen gaat om een wijziging en aanvulling van uitzonderingen op de hoofdregel mogen ze ervan uitgaan dat de wetgever alle belangen in ogenschouw heeft genomen. X heeft dus pech gehad enerzijds omdat de regeling weer werd ingetrokken en anderzijds omdat de wijziging van de regeling voor hem te laat inging. Heel zuur voor X.

Auteur: Joanna Hildering, adviseur Aegon Adfis

Bron: Centrale Raad van Beroep, 27 februari 2019

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 15 maart 2019