Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Niet ingegaan ontslagstamrecht verknocht?

26 februari 2016

Valt een ontslagstamrecht in de huwelijkse gemeenschap? Waardoor dit meegaat in de verdeling bij scheiding? Hierover oordeelde het Hof Den Haag.  

 

Ontslagstamrecht gemeenschappelijk goed of verknocht goed?

Bij zijn ontslag kreeg X een ontslagvergoeding. Die ontslagvergoeding wendde X aan voor een stamrecht. In de van de stamrechtovereenkomst staat: “het gehele door de werkgever in het kader van de beëindiging van het dienstverband van [de man] betaalde bedrag groot f 600.000,- wordt bestemd als premie voor periodieke uitkeringen. De periodieke uitkeringen zullen uiterlijk ingaan op 60-jarige leeftijd en eindigen bij het overlijden van [de man] ”. 

Op 19 september 2011 wordt het huwelijk van X ontbonden. Na de scheiding verschillen X en zijn ex-vrouw (Y) van mening over het stamrecht. Valt dit stamrecht of de rechten die daaruit voortvloeien in de huwelijkse gemeenschap? 

Y is van mening dat dit stamrecht en de rechten daaruit in de huwelijkse gemeenschap vallen. En dat het stamrecht verdeeld moet worden. X denkt hier anders over. Volgens hem is het ontslagstamrecht een verknocht goed. Dit zijn goederen of schulden die aan de persoon van de echtgenoot of echtgenote in meer of mindere mate verbonden zijn. Door deze verbondenheid aan de persoon geldt in sommige gevallen dat het goed of de schuld niet gedeeld hoeft te worden bij scheiding.
X verwijst onder meer naar een uitspraak van de Hoge Raad van 17 oktober 2008.

Hof Den Haag

Het hof is het eens met X.

Volgens het hof zijn stamrechtuitkeringen die plaats hebben na de ontbinding van het huwelijk, verknocht als de uitkering betrekking heeft op arbeidsinkomsten die X derft na de ontbindingsdatum van het huwelijkt. En daarvan is volgens het hof sprake. Het hof motiveert dit als volgt.

Indien in de huwelijkse periode stamrechtuitkeringen zouden zijn verricht, zouden deze - overeenkomstig de vaste rechtspraak van de Hoge Raad - in de huwelijksgemeenschap vallen. Uit verklaringen van X en Y tijdens de zitting blijkt echter dat er geen uitkering heeft plaatsgevonden tijdens de huwelijkse periode. 

En omdat – volgens het hof - uit de stamrechtovereenkomst voortvloeit dat het stamrecht betrekking heeft op een suppletie van arbeidsinkomen concludeert het hof dat de rechten die voortvloeien uit de stamrechtovereenkomst aan X verknocht zijn.

Commentaar

Over de vraag of een ontslagstamrecht moet worden verdeeld verschillen de meningen wanneer het stamrecht nog niet is ingegaan. 

De hoofdregel is dat een ontslagstamrecht in de gemeenschap van goederen valt, tenzij er sprake is van verknochtheid.

In de casus waarover de Hoge Raad op 17 oktober 2008 besliste, en waar het Hof Den Haag naar verwijst, ging het over een ingegaan stamrecht. De Hoge Raad besliste dat de uitkeringen tijdens de huwelijkse periode ten goede komen aan beide echtelieden en daardoor in de gemeenschap vallen. De uitkeringen die na de huwelijkse periode plaatsvinden en gemis aan arbeidsinkomen compenseren zijn volgens de Hoge Raad verknocht. En hoeven dus niet verdeeld te worden. Het hof refereert aan deze uitspraak. Maar is dat terecht? 

Het hof Amsterdam besliste in 2013 dat het nog niet ingegane stamrecht wel verdeeld moet worden. Het Hof overwoog toen:

“Anders dan in de bovengenoemde zaak die door de Hoge Raad (17-10-2008 auteur) is beslist, is de onderhavige ontslagvergoeding niet gestort in een stamrechtverzekering waaruit de vrouw periodieke uitkeringen ontvangt waardoor haar inkomen wordt aangevuld tot een bepaald percentage van haar laatstgenoten salaris. In de onderhavige zaak is de ontslagvergoeding (in 2002) gestort in een stamrechtverzekering die gedurende tien jaar niet tot enige uitkering is gekomen. Het bedrag is recentelijk beschikbaar gekomen en het is aan de vrouw te beslissen op welke wijze zij daarover wil beschikken: in de vorm van een periodieke uitkering of als bedrag in één. Aldus valt haar ontslagvergoeding niet (gedeeltelijk) aan te merken als vervanging van inkomen dat de vrouw na de ontbinding van de gemeenschap en bij voortzetting van haar dienstbetrekking zou hebben genoten. Er kan dus niet worden gezegd dat de ontslagvergoeding verknocht is. De overige omstandigheden van het geval, te weten het gegeven dat de vrouw inmiddels arbeidsongeschikt is en weinig tot geen perspectief op herstel heeft en dat zij thans moet rondkomen van een (lage) WIA-uitkering en – na haar pensionering – van een niet volledig opgebouwd pensioen, zijn niet van dien aard dat moet worden geconcludeerd dat toch sprake is van verknochtheid van de in 2002 ontvangen ontslagvergoeding”.

 

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Den Haag, 30-9-2015; publicatiedatum 17-2-2016

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 25 februari 2016