Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Niet steeds vermelden disclaimer maakt voorwaardelijke pensioenaanspraken niet onvoorwaardelijk

4 december 2017

Voorwaardelijke pensioenaanspraken in het kader van de Wet VPL (de zogenoemde 15-jaars financiering) worden pas onvoorwaardelijk indien en voor zover ze gefinancierd zijn. Het niet steeds vermelden van de disclaimer leidt er – ondanks de andersluidende toelichting bij het besluit – niet toe dat de voorwaardelijke aanspraken onvoorwaardelijk worden.

Voorwaardelijke VPL-aanspraken

Bij de invoering van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling (Wet VPL) in 2005 sloten sociale partners een Sociaal Akkoord. Onderdeel hiervan was het toekennen van extra pensioen voor zover daar nog fiscale ruimte voor was dat in 15 jaar gefinancierd mocht worden. Bijzonderheid aan deze toezegging was dat het pensioen in eerste instantie voorwaardelijk was en pas onvoorwaardelijk werd nadat ze daadwerkelijk gefinancierd was. De voorwaardelijke aanspraken waren géén pensioen in de zin van de Pensioenwet.

De voorwaarden voor deze voorwaardelijke aanspraken staan in het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004. Een van de voorwaarden daarbij is dat de pensioenuitvoerder de (gewezen) deelnemer informeert over de voorwaardelijkheid van de aanspraken. Dat moet hij doen door de in het besluit voorgeschreven tekst letterlijk op te nemen in de eerste schriftelijke informatieverstrekking aan de (gewezen) deelnemer, de jaaropgaven en de schriftelijke informatie die op verzoek van de deelnemer over de voorwaardelijke aanspraken wordt verstrekt.

Voorwaardelijke aanspraken vallen niet onder WVPS

X en Y waren in 1988 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. In 2010 scheidden ze. X had onder andere een voorwaardelijke VPL-pensioenaanspraak. De vraag waarover het gerechtshof Den Haag zich moest buigen was in hoeverre deze aanspraak voor verevening in aanmerking komt. Het Hof concludeert dat de daadwerkelijke financiering bepalend is voor de vraag of en in hoeverre de aanspraak al dan niet als pensioen moet worden gekwalificeerd. In het addendum waarin de voorwaardelijke aanspraken worden toegekend staat immers; “de toekenning van de voorwaardelijke aanspraak vindt plaats op het moment dat de werkgever de aanspraak heeft gefinancierd”. Tot het moment van daadwerkelijke financiering is volgens het Hof dus geen sprake van pensioen in de zin van de Pensioenwet en is er daarom voor dit deel geen sprake van verevening krachtens de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WVPS).

Zijn de aanspraken onvoorwaardelijk geworden door niet meesturen disclaimer?

Y stelde zich ook nog op het standpunt dat de voorwaardelijkheidsverklaring/vrijwaringsclausule niet steeds op de in het Uitvoeringsbesluit voorgeschreven wijze was verstrekt. Hierdoor zijn volgens haar de aanspraken uit dien hoofde onvoorwaardelijk geworden Die aanspraken hadden daarom volledig afgefinancierd moeten worden en komen dus voor verevening in aanmerking.
Het Hof volgt Y hier niet in. Dit omdat de kennelijke strekking van artikel 4, lid 4 van het Uitvoeringsbesluit is te benadrukken dat pensioenuitvoerders een belangrijke taak hebben om te borgen dat misverstanden over opgebouwde pensioenaanspraken worden voorkomen. Daarvoor is het nodig dat de verklaring genoemd in het vijfde lid van deze bepaling wordt gebruikt in de communicatie met (gewezen) deelnemers. Het achterwege laten van bedoelde verklaring leidt er in beginsel toe dat uitstelfinanciering niet is toegestaan en dat de toezegging direct gefinancierd moet worden. Daarmee is volgens het Hof echter niet gezegd dat deze verplichting tot directe financiering ook al ontstaat als het ontbreken van de verklaring slechts een gering verzuim behelst, waardoor geen wezenlijk misverstand is/kan ontstaan over de aard van de toegezegde aanspraken. Een redelijke uitleg van de wet brengt mee dat steeds op basis van de omstandigheden van het geval, met inachtneming van het belang van de voorgeschreven communicatie, moet worden beoordeeld of het verzuim van een pensioenuitvoerder zodanig verkeerde verwachtingen heeft gewekt dat dit verzuim moet leiden tot deze vergaande consequentie. Het gaat volgens het Hof dus niet om op straffe van directe financiering in acht te nemen formaliteiten. De aanspraken zijn niet onvoorwaardelijk geworden en komen dus niet voor verevening in aanmerking.

Commentaar

De vraag of voorwaardelijke aanspraken in aanmerking komen voor verevening is niet zo spannend. Het antwoord ligt voor de hand. Op grond van artikel 1, lid 4 van de WVPS is de WVPS van toepassing op een pensioenregeling op grond van een pensioenovereenkomst als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet. Zo lang en voor zover de voorwaardelijke aanspraken niet zijn gefinancierd is daarvan geen sprake.

Opvallender is het oordeel van het Hof dat het niet verstrekken van de disclaimer niet per definitie leidt tot het onvoorwaardelijk worden van de aanspraken. In de toelichting op artikel 4 van het Besluit staat; “In het vijfde lid is een zogenoemde vrijwaringsclausule (disclaimer) opgenomen. In deze vrijwaringsclausule staat de belangrijkste informatie waarover de deelnemer moet beschikken. Wanneer wordt nagelaten deze clausule in de correspondentie met de betreffende deelnemer op te nemen, heeft dit op grond van het eerste lid tot gevolg dat de toegezegde pensioenaanspraken conform de hoofdregel van artikel 7a van de Pensioen- en spaarfondsenwet in en keer moeten worden gefinancierd. Uitstelfinanciering is in dit geval niet toegestaan”.

Op basis van deze formulering valt er naar onze mening wel degelijk iets te zeggen voor het standpunt dat wél sprake is van op straffe van directe financiering in acht te nemen formaliteiten. Het Hof gaat daar wel heel gemakkelijk aan voorbij.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Den Haag, 28 november 2017

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 4 december 2017.