Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Niet-uitbetaald pensioen is genoten.

Niet-uitbetaald pensioen is genoten.

8 juni 2020

Niet uitbetaald loon en pensioen konden (volledig) worden verrekend met schulden in rekening-courant aan de BV en zijn vorderbaar en inbaar.

Pensioen en deel salaris niet uitbetaald door BV

X is advocaat en directeur-grootaandeelhouder (DGA) van A BV. X zette zijn werkzaamheden na zijn pensioenleeftijd voort omdat hij zijn advocatenpraktijk niet heeft kunnen overdragen. X heeft een schuld aan A BV van respectievelijk € 47.687 (1 januari 2013), € 286.910 (1 januari 2014) en € 368.887 (1 januari 2015).

In de jaren 2013 en 2014 is van het loon dat A BV en X overeenkwamen, ongeveer € 15.000 per jaar niet uitbetaald. Wel heeft de BV loonheffing afgedragen over het overeengekomen loon.
Volgens X is - naast de onbetaalde gedeelten van het salaris - ook een gedeelte van het ouderdomspensioen door A BV onbetaald gebleven. Dit bedroeg volgens X zowel in 2013 als in 2014 circa € 40.000. Ook deze bedragen zijn volgens X niet genoten.

Tussen de belastingdienst en X is in geschil of het niet-uitbetaalde deel van het loon en het pensioen is genoten in 2013 en 2014.

Niet uitbetaalde bedragen vorderbaar en inbaar = genoten

De rechtbank is het eens met de belastingdienst: volgens de rechtbank heeft X de niet uitgekeerde loon- en pensioenbedragen genoten.

De rechtbank refereert in zijn oordeel aan het fiscale genietingstijdstip van loon, dat is geregeld in artikel 13a, eerste lid, van de Wet LB 1964. Daarin staat:

“Loon wordt beschouwd te zijn genoten op het tijdstip waarop het:

a. betaald of verrekend wordt, ter beschikking van de werknemer wordt gesteld of rentedragend wordt, dan wel

b. vorderbaar en tevens inbaar wordt.”

Volgens de rechtbank waren de bedragen voor X vorderbaar. Zij behoren immers tot het tussen X en A BV overeengekomen loon, aldus de rechtbank. Ook is het loon inbaar volgens de rechtbank. Hij motiveert dit als volgt: “Loon is inbaar in het geval dat, als de schuldenaar zulks zal verzoeken, zonder verder verwijl betaling door de schuldenaar zal plaatsvinden (vgl. HR 16 september 1953, nr. 11.462, BNB 1953/220). Daarmee is gelijk te stellen de situatie dat de werknemer voldoening kan bewerkstelligen door zijn loonvordering te verrekenen met een schuld die hij aan de werkgever heeft.”

Voor het antwoord op de vraag of de bedragen ook inbaar waren, is van belang dat X in de relevante jaren een rekening-courantschuld had aan A BV. Deze schuld bedroeg per 1 januari 2013 € 47.687 en per 1 januari 2014 € 286.910. Dat betekent dat het niet uitbetaalde gedeelte van het loon en het pensioen, voor zover dit niet is uitbetaald, met deze schuld kon worden verrekend. Daarmee is ook aan de voorwaarde van inbaarheid voldaan, aldus de rechtbank.

X betoogt nog dat verrekening met de schuld van de werknemer strijdig is met artikel 7:632 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens dat artikel mogen werkgevers alleen vorderingen op de werknemer verrekenen met het loon wanneer zij genoemd zijn in het eerste lid van artikel 7:632 BW. De vordering die de BV had op X volgens X niet genoemd staan in dat eerste lid.

De rechtbank volgt X niet in dit betoog. Volgens de rechtbank is artikel 7:632 BW bedoeld ter bescherming van de werknemer en staat er niet aan in de weg dat een werknemer voldoening van het loon bewerkstelligt door de loonvordering te verrekenen met een schuld die hij aan de werkgever heeft. De regeling van artikel 13a, eerste lid, van de Wet LB 1964 wordt dan ook niet doorkruist door artikel 7:623 BW, aldus de rechtbank.

Ook in hoger beroep krijgt X nul op het rekest. Het Hof is het volledig eens met de motivering van de rechtbank.

Commentaar

Deze advocaat dacht slim te zijn. Hij wilde de bedragen die niet waren uitgekeerd kennelijk tegen een lager belastingtarief ontvangen: in plaats van het progressieve belastingtarief in box 1 wilde hij erop aansturen dat de bedragen belast zouden worden tegen het vaste belastingtarief in box 2 van (toen nog) 25%. Helaas voor hem ging die vlieger niet op. De rechtbank en het hof volgden gewoon de belastingwetgeving waarvoor – al sinds 2001 – een rangorderegeling geldt. Daaruit volgt dat wanneer een inkomensbestanddeel belast wordt in een ‘lagere’ box, deze niet in een andere box belast wordt. Voor X betekende dit dat, omdat het niet uitbetaalde salaris en pensioen waren genoten, deze belast zijn in box 1 en niet in box 2.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 8 juni 2020

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Amsterdam, 7 mei 2020 (datum publicatie 20 mei 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1205)