Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Nieuw pensioenbesluit: diensttijd

24 november 2015

In ons nieuwsbericht van 19 november 2015 maakten we melding van het nieuwe verzamelbesluit pensioen. Daarbij kondigden we aan om in komende nieuwsberichten dieper op een aantal onderwerpen in te gaan. In dit bericht gaan we verder in op de diensttijd. 

Diensttijd 

De hoofdregel luidt: als diensttijd telt de periode mee dat een dienstbetrekking heeft geduurd. Perioden waarin het loon nihil of aanzienlijk lager is mogen niet meetellen. In sommige gevallen wordt de diensttijd voor pensioen uitgebreid. Deze uitbreiding vindt u terug in artikel 10a van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965. Op enkele van deze uitbreidingen gaan we nader in.

Perioden van verlof 

Perioden van verlof tellen mee als diensttijd. Ook als in die periode het loon nihil is of lager dan gebruikelijk. Dit geldt alleen als er tijdens die verlofperioden geen cumulatie plaatsvindt met opbouw in een pensioenregeling bij een eventuele nieuwe werkgever, de vorming van een oudedagsreserve of de deelname aan een beroeps- of bedrijfstakpensioenregeling. Voor wat betreft de pensioenopbouw tijdens een periode van verlof mag de werkgever uitgaan van het laatstgenoten loon voordat het verlof inging. 

Vrijwillige voortzetting van de pensioenopbouw na ontslag 

Werknemers kunnen – wanneer de pensioenovereenkomst daarin voorziet - de pensioenopbouw na onvrijwillig ontslag voortzetten zolang zij een inkomens vervangende, loongerelateerde uitkering ontvangen. Daarnaast is het mogelijk om na ontslag over perioden van ten hoogste 10 jaar extra pensioen op te bouwen. Daarbij geldt niet de eis dat de voormalige werknemer gedurende die perioden een loongerelateerde uitkering ontvangt. Aan deze voortzetting verbindt de staatssecretaris onder meer de volgende voorwaarden:

  1. Verbetering van de pensioenregeling mag alleen als het om een verbetering van de collectieve regeling gaat die primair is bedoeld voor de actieve werknemers van de voormalige werkgever.
  2. Er mag geen cumulatie plaatsvinden met opbouw in een pensioenregeling van een eventuele andere werkgever, de vorming van een oudedagsreserve of opbouw in een beroeps- of bedrijfstakpensioenregeling.
  3. De uitbreiding van de pensioengevende diensttijd mag niet beginnen in de periode van drie jaren voorafgaande aan de voor de voormalige werknemer geldende pensioendatum van de regeling die hij vrijwillig voortzet. Deze beperking is niet van toepassing als de voormalige werknemer daadwerkelijk inkomen uit tegenwoordige arbeid geniet of als hij aannemelijk maakt dat hij om medische redenen niet in staat is inkomen uit tegenwoordige arbeid te genereren.
  4. Het pensioengevend loon voor de vrijwillige voortzetting is gemaximeerd op het laatstverdiende loon. Vanaf het vierde kalenderjaar van vrijwillige voortzetting geldt een extra maximum. Dit is het gezamenlijke bedrag van:
  • de winst uit onderneming,
  • het belastbare loon,
  • het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden, en
  • de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen zoals vastgesteld in het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het desbetreffende kalenderjaar. 

Vut- en prepensioenjaren 

Vut- en prepensioenjaren tellen mee als diensttijd als zij direct volgen op de beëindiging van de actieve diensttijd. Deze jaren mogen volgens dit besluit nu ook meetellen de Vut- of prepensioenuitkering ingaat direct nadat loongerelateerde WW-uitkering eindigt. Ook hiervoor geldt dat die dienstjaren alleen kunnen meetellen wanneer de pensioenregeling daarin voorziet.

Partner- en wezenpensioen op risicobasis

Als een pensioenregeling een partner- en wezenpensioen op risicobasis bevat, vervallen deze rechten bij ontslag van de werknemer. De staatssecretaris staat toe dat de nieuwe werkgever bij de bepaling van het partner- en wezenpensioen dat ingaat vóór de pensioendatum rekening mag houden met de diensttijd van de vorige werkgever. 

Deze goedkeuring geldt alleen als in de vorige pensioenregeling een partner- en wezenpensioen op risicobasis bevatte. De werkgever moet op verzoek van de inspecteur aannemelijk kunnen maken dat sprake is van ontbrekende dienstjaren en van onvoldoende verzekering van het partner- en/of wezenpensioen over die jaren. Wanneer uitruil van partner- en/of wezenpensioen heeft plaatsgevonden, dan moet daarmee rekening worden gehouden.

Commentaar 

Dit onderdeel van het besluit bevat behalve de goedkeuring met betrekking tot VUT- en prepensioen geen nieuwe standpunten en goedkeuringen. Maar het geeft wel een goed overzicht van het element diensttijd in het fiscale kader voor de pensioenopbouw.

 

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Rijksoverheid.nl, 17 november 2015

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 23 november 2015