Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Nieuwe argumenten voorkomen revisierente bij afkoop lijfrente?

14 juni 2017

Een belastingplichtige koopt zijn lijfrente af. Hij vindt dat hij geen revisierente hoeft te betalen omdat hij door financiële omstandigheden gedwongen was tot afkoop. Het Gerechtshof besliste dat hij wel 20% revisierente over de afkoopwaarde verschuldigd is.

Revisierente bij afkoop lijfrente

De heer A koopt in 2012 twee lijfrenteverzekeringen af. De totale afkoopsom is € 99.202. Van de betaalde premies heeft A € 10.498 niet in aftrek gebracht. A geeft de afkoopwaarde van de lijfrentes aan als inkomen uit werk en woning (box 1).

De inspecteur corrigeert de aangifte door het inkomen te verminderen met de niet aftrokken premies en brengt A 20% revisierente in rekening over € 88.704 (€ 99.202 - € 10.498).

A is het niet eens met de heffing van de revisierente. Door zijn slechte financiële situatie was hij gedwongen om zijn lijfrenteverzekeringen af te kopen. A vindt dat hij in een nadeligere positie wordt geplaatst dan langdurig arbeidsongeschikten die hun lijfrente mogen afkopen zonder dat zij daarover revisierente moeten betalen. Verder vindt A dat de revisierente voor hem een buitensporige last vormt die leidt tot een ongeoorloofde inbreuk op het recht van eigendom als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EP EVRM). Tenslotte maakt A bezwaar tegen de heffing van premies volksverzekeringen over de afkoopwaarde.

Hof Den Haag

Hof Den Haag verwerpt de stellingen van A.

Ten tijde van de afkoop  van de lijfrenteverzekeringen (2012) gold de bepaling voor arbeidsongeschikten nog niet op basis waarvan zij geen revisierente hoeven te betalen bij afkoop van hun lijfrente( artikel 3.133, lid 9  Wet IB 2001). A doet dan ook tevergeefs een beroep op deze bepaling. Het betoog van A dat hij in een vergelijkbare positie verkeert als de in dat artikel bedoelde langdurig arbeidsongeschikten, laat het Hof om die reden verder onbehandeld.

Voor de beoordeling of het in rekening brengen van revisierente in het geval van A leidt tot een individuele en buitensporige last, moet het Hof vaststellen of, en zo ja, in hoeverre deze last zich in zijn geval sterker laat voelen dan in het algemeen. Het Hof wijst het beroep van A op artikel 1 EP EVRM af: “Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan aannemelijk kan worden geacht dat de hem in rekening gebrachte revisierente hem zwaarder treft dan anderen aan wie revisierente in rekening is gebracht wegens afkoop van een gefaciliteerde lijfrente.”

A stelt dat hij bij reguliere afwikkeling van de lijfrente - gezien zijn leeftijd - geen premie volksverzekeringen verschuldigd zou zijn. En dat om die reden over de afkoopsom ook geen premie volksverzekeringen dient te worden geheven.  Volgens het Hof vindt het betoog van A geen steun in het recht. De stelling van A dat de lijfrentepremies niet in aftrek zijn gekomen op dat deel van het belastbaar inkomen waarover premie volksverzekeringen is verschuldigd en dat om die reden ook de afkoopsom buiten het premie-inkomen moet worden gelaten, brengt het Hof niet tot een ander oordeel.

Commentaar

Alweer een uitspraak over revisierente. Tot nu is de rechter steeds van oordeel dat revisierente terecht wordt geheven zie ook ons bericht van 6 juni 2017 en ons bericht van 6 maart 2017.

A kwam hier met een nieuwe stelling. Hij vergeleek zijn situatie – gedwongen afkoop door slechte financiële positie – met die van een langdurig arbeidsongeschikte. Als deze laatste zijn lijfrente afkoopt is er volgens het negende lid van artikel 3.133 Wet IB 2001 geen sprak van fiscale afkoop maar van het ontvangen van één lijfrentetermijn. Daardoor is de langdurig arbeidsongeschikte over de afkoopwaarde geen revisierente verschuldigd. Het Hof hoefde dit niet te onderzoeken omdat deze bepaling in 2012 nog niet in de Wet was opgenomen. Wellicht een reden voor een belastingplichtige die afkoopt in 2015 om zich te verzetten tegen de revisierente. Maar wij betwijfelen of een dergelijk beroep slaagt. De positie van een langdurig arbeidsongeschikte laat zich lastig vergelijken met de positie van iemand die in een slechte financiële situatie verkeert. 

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Den Haag, 26 april 2017

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 14 juni 2017.