Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Nieuwe uitvoeringsovereenkomst alleen voor actieven. Toeslagpotentieel voor slapers en gepensioneerden vrijwel nihil.

29 oktober 2019

Werkgever beëindigt uitvoeringsovereenkomst met verzekeraar en sluit voor de actieve deelnemers een nieuwe bij een andere verzekeraar. Slapers en gepensioneerden blijven achter. Doordat er geen kwantumkorting meer wordt verleend door oude verzekeraar, droogt de voeding van het toeslagdepot praktisch op en krijgen de slapers en gepensioneerden de facto geen toeslagen meer. Dit is niet in strijd met goed werkgeverschap.

Collectieve regeling met voorwaardelijke toeslagverlening

X werkte van 1982 tot 2009 bij werkgever Y. In 2012 ging hij met pensioen. Y had de pensioenregeling waar X aan deelnam ondergebracht bij een pensioenverzekeraar. Deze verzekeraar verleende een zogenoemde ‘kwantumkorting’. Hoe meer premie Y betaalde, hoe hoger de korting. De verzekeraar stortte deze korting samen met eventuele winstaandelen in een depot van waaruit toeslagen op ingegane en premievrije pensioenen werden gefinancierd. Op basis van dit depot zijn er van 2006 tot en met 2014 toeslagen verleend.

De uitvoeringsovereenkomst met de pensioenverzekeraar liep op 31 december 2015 af en Y verlengde die niet. Hij sloot een nieuwe uitvoeringsovereenkomst met een andere pensioenverzekeraar voor de actieve deelnemers. Slapers en gepensioneerden bleven achter bij de oude pensioenverzekeraar. Doordat Y voor de slapers en gepensioneerden geen premie betaalde, was ook geen sprake meer van kwantumkorting. 

Na beëindiging van de uitvoeringsovereenkomst heeft de oude pensioenverzekeraar het recht om de administratiekosten eerst met het winstaandeel te verrekenen. Met name door de lage rentestand en het daarmee gepaard gaande lage winstaandeel, bleef er ook uit deze bron geen voeding voor het depot over. De oude pensioenverzekeraar schreef daarom aan X; “Gezien voormelde is de verwachting dat toeslagverlening in de komende jaren niet zal plaatsvinden”. 

X is van mening dat het wegvallen van zijn toeslagperspectief het gevolg is van het beëindigen van de uitvoeringsovereenkomst door Y. Volgens hem is er door de opzegging van de uitvoeringsovereenkomst sprake van een eenzijdige wijziging door X van de pensioenovereenkomst. Hij stapt naar de kantonrechter en vordert schadevergoeding voor de schade die hij leidt door het niet nakomen van de pensioenovereenkomst.

Voortzetting uitvoeringsovereenkomst voor slapers en gepensioneerden niet strikt noodzakelijk

De kantonrechter begint met de vaststelling dat het Y vrij stond na het beëindigen van de uitvoeringsovereenkomst een uitvoeringsovereenkomst met een andere pensioenverzekeraar te sluiten voor de actieve deelnemers. Een uitkeringsovereenkomst is opzegbaar en alle actieven zijn akkoord gegaan met of hebben geen bezwaar gemaakt tegen de overstap. De kantonrechter constateert wel dat deze overstap tot gevolg had dat er geen uitvoeringsovereenkomst meer bestaat tussen Y en de oude pensioenverzekeraar, terwijl artikel 23 Pensioenwet dwingend voorschrijft dat de werkgever een onderbrengingsplicht heeft. Strikt genomen voldoet Y daar volgens de kantonrechter niet aan. Maar, zo gaat hij verder, de ratio van artikel 23 Pensioenwet is dat gewaarborgd wordt dat de pensioengelden door de werkgever niet voor andere doeleinden dan pensioen kunnen worden gebruikt en dat de voor pensioen bestemde gelden niet verloren gaan door bijvoorbeeld een faillissement van de werkgever. Het gaat er volgens de kantonrechter dus om dat die risico’s worden afgedekt Hij constateert echter dat dergelijke risico’s voor X niet bestaan omdat hij geen actieve deelnemer meer is en dus geen pensioen meer opbouwt. Zijn pensioenaanspraken zijn ondergebracht bij de oude pensioenverzekeraar en daardoor afgescheiden van het vermogen van Y. In die zin wordt X dus niet geschaad doordat er geen uitvoeringsovereenkomst meer is tussen Y en de oude pensioenverzekeraar. Hij concludeert dan ook dat het ontbreken van een uitvoeringsovereenkomst op zichzelf niet betekent dat Y de pensioenovereenkomst niet nakomt.

Geen eenzijdige wijziging; perspectief op toeslag is niet nihil, maar slechts vooralsnog uit beeld verdwenen

Ook de stelling van X dat er door de opzegging van de uitvoeringsovereenkomst sprake is van een eenzijdige wijziging van de pensioenovereenkomst volgt de kantonrechter niet. Volgens hem zijn de opgebouwde aanspraken niet gewijzigd en is er geen sprake van een onvoorwaardelijke toeslagverlening die is komen te vervallen. De wijziging voor X bestaat eruit dat de verwachting bestaat dat er in de toekomst geen toeslagverlening zal plaatsvinden. De kantonrechter stelt echter dat dit haar oorzaak vindt in de voorwaarden die gelden voor de toeslagen en niet in een wijziging van de pensioenovereenkomst. Hij geeft daarbij aan dat er immers geen andere regeling is gaan gelden en de regeling als zodanig ook niet is vervallen.

Het depot waaruit de toeslagen moeten worden gefinancierd is echter leeg en X stelt dat dat een gevolg is van de opzegging van de uitvoeringsovereenkomst. In zoverre werkt de opzegging van de uitvoeringsovereenkomst wel door in de situatie van X. Maar, zo stelt de kantonrechter, de toeslagverlening wordt bekostigd uit de ontvangen kwantumkorting en winstdeling van de pensioenverzekeraar, die in een depot worden gestort. De toeslagverlening is dus afhankelijk gesteld van een tweetal factoren. Na 2014 is er weliswaar geen toeslagverlening meer geweest, maar de kantonrechter vraagt zich af of dat uitsluitend het gevolg is geweest van het beëindigen van de uitvoeringsovereenkomst door Y. Het recht op een winstaandeel blijft bestaan als verzekeringen premievrij worden voortgezet na het einde van de uitvoeringsovereenkomst. Het depot kan volgens de kantonrechter dus nog worden gevuld, zij het dat daar volgens de pensioenverzekeraar vooralsnog geen perspectief op is. Maar dit hangt samen met de lage rentestand en alle pensioenverzekeraars worstelen met dit probleem. Daarnaast wisselde in het verleden de hoogte van de toeslagpercentages sterk. In 2010 was er bijvoorbeeld een geringe toeslag en in 2015 zelfs helemaal niet. Toen was er nog wel een uitvoeringsovereenkomst tussen Y en de pensioenverzekeraar en werd er dus nog kwantumkorting verleend. Volgens de kantonrechter onderstreept dit eens te meer dat ook als Y de overeenkomst met de pensioenverzekeraar onder dezelfde voorwaarden had voortgezet, X niet zeker was geweest van een jaarlijkse toeslagverlening.
Daarnaast is het perspectief op toeslagverlening niet nihil, zoals X stelt, maar – zoals de kantonrechter het stelt – “slechts vooralsnog uit beeld verdwenen”.

De kantonrechter oordeelt dan ook dat het ontbreken, of het wegvallen van een uitvoeringsovereenkomst met de oude pensioenverzekeraar in de gegeven omstandigheden niet kan leiden tot de conclusie dat Y is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de pensioenovereenkomst en/of dat sprake is van schending van de eisen van goed werkgeverschap. De kantonrechter wijst de vordering van X daarom af.

Commentaar

Deze zaak vertoont overeenkomst met de Euronext-zaak Ook daar was sprake van een wisseling van pensioenuitvoerder waardoor het toeslagperspectief veranderde. Hof Amsterdam oordeelde dat daarmee sprake was van een eenzijdige wijziging van de pensioenovereenkomst zonder dat de werkgever daarvoor een voldoende zwaarwegend belang had. In deze zaak oordeelt de kantonrechter nu juist dat géén sprake is van een wijziging van de pensioenovereenkomst. Het cruciale verschil zit hem in het feit dat in de Euronext-zaak sprake was van een door een pensioenfonds uitgevoerde pensioenregeling met een- gezien de dekkingsgraad van het fonds weliswaar theoretisch – toeslagperspectief, die werd vervangen door een door een pensioenverzekeraar uitgevoerde pensioenregeling zonder toeslagperspectief. In de nieuwe regeling werd alle toekomstige overrente namelijk bij aanvang al gebruikt om de in te kopen rechten te verhogen en zo de dreigende kortingen bij het fonds te voorkomen of in ieder geval te verzachten. Er was dus, ook juridisch, geen sprake meer van enige overrente en dus van enige toeslagverlening in de toekomst. En, ondanks het feit dat deelnemers, gewezen deelnemers en gepensioneerden hierdoor minder gekort hoefden te worden, was dit wel een wijziging van de pensioenovereenkomst op dit punt.

In ze zaak van X bleef er, in ieder geval juridisch, sprake van een toeslagperspectief. Het was immers niet volledig uitgesloten dat het depot in de toekomst via winstdeling weer over voldoende middelen zou beschikken om een toeslagverlening mee te financieren. Dat dit door de huidige rentestand en het wegvallen van de kwantumkorting op dit moment uitermate onwaarschijnlijk is, maakt niet dat de pensioenovereenkomst op dit punt is gewijzigd.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis  
Bron: Rechtbank Rotterdam, 20 september 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:8226

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 25 oktober 2019.