Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Nieuwe versie Handreiking inhaal en inkoop van pensioen

18 april 2019

Het Centraal aanspreekpunt Pensioen (CAP) publiceerde de geactualiseerde Handreiking voor de berekening van de inhaal – en inkoopruimte van pensioen aan. Het CAP introduceert daarin een vereenvoudigde berekening van inhaalruimte bij beschikbare premie.

Inhaal en inkoop

Inhaal van pensioen ziet op de verhoging van het pensioen dat een werknemer tijdens de (fictieve) diensttijd bij zijn huidige werkgever opbouwt. Bij inkoop wordt rekening gehouden met diensttijd die is doorgebracht bij vorige werkgevers. Als voordien waardeoverdracht heeft plaatsgevonden mag men- onder voorwaarden - rekening houden met alle dienstjaren die zijn doorgebracht bij vorige werkgevers. Als er geen waardeoverdracht heeft plaatsgevonden mogen alleen de dienstjaren bij vorige werkgevers worden meegenomen van vóór 8 juli 1994.

De inhaal/inkoop moet plaatsvinden binnen de huidige pensioenregeling. In de huidige pensioenregeling moet daarvoor een aanvullende module zijn opgenomen waaraan werknemers op vrijwillige basis kunnen deelnemen. De aanvulling is een individuele verbetering van het pensioen en heeft invloed op de factor-A van de in te halen jaren. Daardoor kan inhaal of inkoop leiden tot een correctie van de lijfrentepremieaftrek in eerdere jaren.

Berekening inhaal- en/of inkoopruimte

Voor het bepalen van de inhaal- en of inkoopruimte moet worden uitgegaan van de fiscale wetgeving en grenzen die gelden in het jaar van inhaal of inkoop.

De berekening van de inhaal/inkoopruimte is betrekkelijk eenvoudig bij een eindloonregeling. De fiscaal maximale opbouw van ouderdomspensioen op 68 jaar is in 2019:pensioengrondslag jaar van inhaal maal 1,657% maal de verstreken diensttijd. Uiteraard moet de uitkomst hiervan vergeleken worden met de tot dat moment opgebouwde aanspraken.

De berekening van de inhaal/inkoopruimte bij middelloon of een beschikbare premieregeling is een stuk lastiger. In dit geval moet de feitelijke opbouw van pensioen tot de berekeningsdatum worden vergeleken met de met de opbouw die binnen deze periode volgens het fiscale kader op de inhaaldatum mogelijk zou zijn geweest. Inhaal is alleen mogelijk als men de hele diensttijd hierin betrekt. Dat houdt in dat men de vergelijking moet maken voor elk jaar van de periode van de verstreken diensttijd.

Opgebouwd pensioen

Zowel bij middelloon als bij beschikbare premie moeten de opgebouwde aanspraken c.q. de inleg actuarieel gewaardeerd worden tegen het wettelijke tarief voor waardeoverdracht. Bij een beschikbare premieregeling mag de werknemer onderrendement niet inhalen. Een eventueel overrendement blijft buiten beschouwing. De Handreiking geeft aan hoe het over- of onderrendement moet worden berekend. In de berekening mag geen rekening worden gehouden met afstempeling van pensioen. Dit geldt ook voor pensioen in eigen beheer dat is prijsgegeven en daarna is afgekocht of omgezet in een ODV.

Volgens de Handreiking moet men bij het bepalen van de opgebouwde aanspraken ook rekening houden met aanspraken op netto pensioen en netto lijfrente.

Fiscaal maximaal pensioen

Voor het maximaal op te bouwen pensioen moet worden uitgegaan van het fiscale kader ten tijde van de inhaal. Als maximaal pensioengevend loon geldt voor de hele diensttijd het fiscale maximum van het jaar van inhaal (2019: € 107.593). De franchise bestaat uit 100/75 x AOW-gehuwd van het in te halen jaar. Voor 2019 is deze franchise € 13.785.

Bij middelloon en beschikbare premie is de basis van de berekening is het loon dat de werknemer in het in te halen jaar heeft ontvangen. Het door de werknemer ontvangen onregelmatig loon (bonussen e.d.) behoort hier ook toe. De bijtelling auto van de zaak blijft buiten beschouwing. Als er onvoldoende loongegevens voorhanden zijn mag men uitgaan van een forfaitair loon. Daarbij wordt het loon over verstreken jaren afgeleid van het regelmatige vaste loon dat de werknemer ontvangt in het jaar van inhaal. 

Deze aanspraken of inleg moeten ook actuarieel worden gewaardeerd tegen het wettelijke tarief voor waardeoverdracht. Het verschil met de actuariële waarde van de opgebouwde aanspraken is de ruimte voor inhaal. Bij een negatieve uitkomst is er geen ruimte voor inhaal.

Vereenvoudigde berekening bij beschikbare premie

Wanneer de pensioenopbouw bij de huidige werkgever over de volledige diensttijd is gebaseerd op een beschikbare-premieregeling en er geen sprake is geweest van een inkomende waardeoverdracht, kan men volstaan met een vereenvoudigde berekening van de inhaalruimte.

In de vereenvoudigde berekening wordt voor elk jaar van de diensttijd de beschikbare premie die ingelegd had kunnen worden volgens het huidige fiscaal kader vergeleken met de daadwerkelijk in de beschikbare-premieregeling ingelegde premie. Daarmee voorkomt men actuariële berekeningen en rendementsberekeningen. De in te halen premie van enig jaar mag worden opgerent. Het rente percentage is dan gelijk aan de rente die in de huidige staffel wordt toegepast. 

Commentaar

Inhaal van pensioen staat volop in de belangstelling. Sinds het vervallen van de ‘ontslagstamrechtvrijstelling’ in 2014 overwegen werkgevers en werknemers de ontslagvergoeding aan te wenden voor aanvulling op het pensioen van de werknemer. Daardoor is uitstel van belastingheffing toch nog mogelijk. Ook werknemers met een levensloopregeling overwegen om hun tegoed onder te brengen in pensioen. Daardoor ontgaan ze dat hun levenslooptegoed op 31-12-2021 wordt toegevoegd aan het belastbare loon.

Ondanks deze verhoogde belangstelling valt de aanvulling van pensioen in de vorm van inhaal of inkoop niet mee. Door het steeds krapper geworden fiscale kader zal er niet snel sprake zijn van inhaal- of inkoopruimte. Zeker als in het verleden pensioen is opgebouwd dat inging op 65-jarige leeftijd of eerder. Ook werknemers waarvan het pensioengevend loon in het verleden boven ongeveer € 107.000 lag komen vaak niet in aanmerking.

Daarnaast speelt de complexiteit van de inhaal/inkoop-berekening. Bij deze berekening moet een vergelijking worden gemaakt voor elk verstreken dienstjaar. En de aanspraken moeten steeds actuarieel gewaardeerd worden. Met de vereenvoudigde berekening bij beschikbare premie die het CAP introduceert worden deze bezwaren een stuk minder.

Die vereenvoudigde berekening op zich is een stuk makkelijker. Alleen jammer dat hij bijna niet toepasbaar lijkt. Immers voor deze berekening moet de pensioenopbouw van de werknemer over de volledige diensttijd zijn gebaseerd op een beschikbare-premieregeling. Dat is vaak niet het geval. In de praktijk zie je dat de opkomst van de beschikbare premieregelingen iets is van de laatste jaren. Voordien werd vaak een middelloonregeling toegezegd. Vanwege de complexiteit zou het voor de praktijk aantrekkelijk zijn als de vereenvoudigde berekening mag worden toegepast over uitsluitend de periode dat een beschikbare premieregeling gold. Als dat fiscaal niet aanvaardbaar is, de mogelijkheid om een knip in de diensttijd toe te passen. Voor de periode van middelloon wordt dan de complexe actuariële berekening gevolgd en voor de periode beschikbare premie de vereenvoudigde methode. In dat geval voorkom je in elk geval de bepaling van over-of onderrendement en de actuariële waardering van de ingelegde premies.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 16 april 2019

Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Handreiking inhaal en inkoop van pensioen (versie 11 april 2019)