Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Nog niet verschuldigde termijnen nieuwbouw woning leiden niet tot verlaging box 3 grondslag

Nog niet verschuldigde termijnen nieuwbouw woning leiden niet tot verlaging box 3 grondslag

14 december 2020

Als gevolg van verkoop van zijn woning kreeg X in 2017 een bedrag van ruim €350.000 op zijn bankrekening. Eerder dat jaar ging X een koop-aannemingsovereenkomst aan voor een te bouwen nieuwbouwwoning. In 2017 betaalt hij de eerste termijnen in verband met de bouw van het huis. Het resterende saldo op 1 januari 2018 van bijna €200.000 belast de belastingdienst als inkomen uit sparen en beleggen.

Bestedingsdoel banksaldo irrelevant voor box 3

X is van mening dat het bedrag dat op 1 januari 2018 op de bankrekening stond geen bezitting in box 3 vormen, omdat zowel de oorsprong als het bestedingsdoel van dat bedrag de eigen woning is. Hij geeft aan dat tegenover de bezitting een even grote schuld stond, vanwege de door hem aangegane verplichtingen voor de nieuwbouwwoning.

De belastingdienst stelt dat het bedrag op de spaarrekening terecht tot de rendementsgrondslag is gerekend. Het bedrag stond op de peildatum op de rekening en moet daarom als bezitting gelden. Het objectieve stelsel houdt geen rekening met de afkomst van geldbedragen, noch met hun bestemming. Tegenover dit bedrag kan geen schuld in aanmerking worden genomen, omdat de (voorwaardelijke) verplichtingen voor de woning niet als schuld kunnen worden aangemerkt, aldus de belastingdienst.

Op grond van artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) bestaat de rendementsgrondslag uit de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden. Volgens dit artikel zijn bezittingen zaken of rechten en schulden verplichtingen met waarde in het economische verkeer. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de ‘waarde in het economische verkeer’ naar de bedoeling van de wetgever uitdrukking moest geven aan het objectieve karakter van de in aanmerking te nemen vermogensbestanddelen. Voorwaardelijke schulden zijn onder omstandigheden als schuld aan te merken als bij de waardering van de schuld de kans op vervulling van de voorwaarde moet worden meegenomen. Maar wanneer het gaat om een verplichting die in de toekomst pas kan ontstaan, zoals als gevolg van nog door een derde uit te voeren werkzaamheden, is nog geen schuld aanwezig, aldus de rechtbank.

De rechtbank wijst de argumentatie van X over het bestedingsdoel eveneens af. De wetgever geeft het begrip ‘bezittingen’ een objectief karakter. Dat objectieve karakter betekent dat de herkomst of het bestedingsdoel van een geldbedrag niet bepaalt of het een bezitting is, aldus de rechtbank.

Verplichting die ontstaat in toekomst is geen schuld

De rechtbank geeft aan dat tegenover het geldbedrag dat op de bankrekening van X staat niet een even grote schuld in aanmerking komt. De koop-aannemingsovereenkomst (kao) kan niet worden gekwalificeerd als een door X aangegane verbintenis tot betaling van een geldbedrag onder een bepaalde voorwaarde. Er is sprake van een overeenkomst met tegenover elkaar staande verbintenissen in de vorm van rechten en verplichtingen. Tegenover de verplichting tot betaling voor de geleverde prestatie staat steeds het recht op levering van de daarmee corresponderende prestatie. Van de kao kan dus niet enkel de betalingskant worden afgezonderd, de prestaties uit de kao hangen met elkaar samen, aldus de rechtbank. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Commentaar

Het is begrijpelijk dat X het onterecht vindt dat hij belasting moet betalen over een bedrag op zijn bankrekening, dat bestemd is voor het betalen van toekomstige bouwtermijnen. Voor X voelt het geld als betaling van de schuld die hij heeft op grond van zijn koop-aannemingsovereenkomst. Maar de schuld ontstaat pas nadat er voldaan is aan de verplichting van oplevering van een bepaald deel van de woning. De wetgever heeft bewust gekozen om de vermogensrendementsgrondslag een objectief karakter te geven om doelmatigheidsredenen. Daar past geen bestedingsdoel bij.

Auteur: Joanna Hildering, hypotheek en levensverzekeringsexpert Aegon Adfis

Bronnen: Rechtbank Noord-Holland, 4 december 2020

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 14 december 2020