Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Non-activiteitsregeling provincie Zeeland is RVU

19 mei 2016

De Hoge Raad oordeelde dat de non-activiteitsregeling van de provincie Zeeland terecht werd aangemerkt als een regeling voor vervroegde uittreding. Het doel en de intentie van de werkgever bij invoering van de regeling maken hierbij geen verschil.

Achtergrond en procedure bij de rechtbank

De provincie Zeeland moest drastisch bezuinigen. Zij besloot daarom om het aantal ambtenaren in haar dienst te verminderen. Om dit doel te bereiken liet zij werknemers vrijwillig vertrekken op basis van de zogenoemde Non-activiteitsregeling Zeeland 2013. Onder deze regeling geniet een werknemer - met behoud van dienstverband - non-activiteitsverlof tot het moment waarop hij de AOW-leeftijd bereikt. De regeling is van toepassing op werknemers die voor onbepaalde tijd in dienst zijn en 57 jaar of ouder zijn op de peildatum 1 januari 2013. De inspecteur merkte deze regeling aan als een regeling voor vervroegd uittreden (RVU) in de zin van artikel 32ba Wet LB 1964.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant stelt op 22 januari 2015 vast dat de noodzaak bestond om drastisch te bezuinigen. Volgens de werkgever was het voor haar - op grond van het reeds in 2007 met de vakbonden en ondernemingsraad gesloten sociaal statuut - niet mogelijk om bij de reorganisatie het zogenoemde afspiegelingsbeginsel te hanteren. Volgens de rechtbank was aannemelijk dat alleen vrijwillige uitstroom voldoende zou bijdragen aan de noodzakelijke formatiereductie. De werkgever was daardoor naar het oordeel van de rechtbank genoodzaakt om de regeling in te voeren. Gelet daarop oordeelde de rechtbank dat voor de werkgever sprake is van een draconische heffing. De rechtbank gaf echter aan dat op grond van een eerdere uitspraak van de Hoge Raad1 niet anders geoordeeld kan worden dan dat sprake is van een regeling voor vervroegde uittreding. Het betreft immers een regeling die voorziet in uitkeringen tot het moment van het bereiken van de AOW-leeftijd, waarvan enkel werknemers van 57 jaar of ouder gebruik kunnen maken. Naar het oordeel van de rechtbank zijn het doel en de intentie van de werkgever bij invoering van de regeling daarbij niet relevant.

1 Hoge Raad 15 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8935

Arrest Hoge Raad

Tegen het oordeel van de rechtbank stelde de provincie cassatie in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een regeling van vervroegde uittreding spelen de beweegredenen van de werkgever geen rol. Het gaat erom of de uitkeringen bedoeld zijn ter overbrugging of aanvulling van het inkomen van de (ex-)werknemer tot de pensioendatum. Dat is in deze zaak het geval.

Commentaar

De rechtbank oordeelde dat de provincie geen andere keuze had dan de regeling in te voeren. Deze regeling was er niet op gericht om oudere werknemers met vervroegd pensioen te kunnen laten gaan, maar om de levensvatbaarheid van de provincie te vergroten. Hoewel de regeling formeel wel aan de eisen van een RVU voldoet, was het doel een hele andere. Het is dan ook zuur dat de rechtbank niet anders kon oordelen.

Drie dagen voor bovengenoemde uitspraak kwam de intentie van de werkgever in een andere zaak voor dezelfde rechtbank aan de orde. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde op 19 februari 2015 over een situatie waarin werkgever X moest reorganiseren. Met betrekking tot deze reorganisatie kwam X met de vakbonden een sociaal plan overeen. In dit plan werden boventallige werknemers aangewezen op basis van het afspiegelingsbeginsel. Het sociaal plan bevatte echter ook een vrijwilligers- en een plaatsmakersregeling. Een werknemer kon hier alleen gebruik van maken als de werkgever hiermee instemde. De werknemers van wie de arbeidsplaats verviel of die gebruik mocht maken van de vrijwilligersregeling kregen een ontslagvergoeding. De werkgever verzocht de belastingdienst om een beschikking af te geven dat de ontslagvergoeding op basis van het sociaal plan niet zou worden aangemerkt als een RVU. De inspecteur weigerde die beschikking af te geven. Hij vond dat — door het opnemen van een vrijwilligers- en een plaatsmakersregeling in het sociaal plan — de ontslagvergoeding van oudere werknemers wel kan worden aangemerkt als RVU. Werkgever X ging tegen deze uitspraak in beroep bij de rechtbank. De rechtbank constateerde dat een afvloeiingsregeling die gebaseerd is op het afspiegelingsbeginsel in beginsel geen RVU is. Een van de voorwaarden om een afvloeiingsregeling geen RVU te laten zijn, is dat deze is gebaseerd op dit afspiegelingsbeginsel. Dan is er immers geen sprake van de intentie bij de werkgever om ouderen met het oog op vervroegd uittreden te ontslaan. Vervolgens stelde de rechtbank dat de inspecteur moest aantonen dat door het opnemen van een vrijwilligers- en een plaatsmakersregeling er wél sprake is van een RVU. Daarbij is van belang of de werkgever de intentie had om nagenoeg alleen oudere werknemers te laten afvloeien. Dat was in deze casus kennelijk niet het geval. Werkgever X kon beslissen of een werknemer in aanmerking komt voor de vrijwilligersregeling. In deze casus kon werkgever X aantonen dat zij in totaal 80 van deze verzoeken heeft geweigerd, waarvan ongeveer 60 van werknemers ouder dan 55 jaar. Van de 230 werknemers die werden ontslagen waren er 105 jonger is dan 55 jaar. Op basis hiervan besliste de rechtbank dat de regeling niet kwalificeert als een RVU als bedoeld in artikel 32ba, zesde lid Wet LB 1964.

Blijkbaar is het verschil in de uitgangspositie (non-activiteitsregeling voor werknemers ouder dan 57 jaar versus een vrijwilligers- en plaatsmakersregeling waarbij de werkgever moet instemmen) voldoende voor de rechtbank om in deze twee zaken een tegengesteld oordeel te vellen.

Auteur: Erik Schouten, adviseur internationaal pensioen Aegon Adfis

Bronnen:

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 19 mei 2016.