Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws NS-pensioen geen privaatrechtelijk pensioen i.d.z.v. Verdrag met Duitsland

NS-pensioen geen privaatrechtelijk pensioen i.d.z.v. Verdrag met Duitsland

7 juni 2021

Rechtbank Zeeland-West-Brabant kwalificeert door Stichting Spoorwegpensioenfonds uitgekeerd pensioen niet volledig als privaatrechtelijk. Nederland heeft heffingsrecht voor pensioen van inwoner van Duitsland.

Publiek of privaat?

X woont in Duitsland en ontving in 2015 ruim € 32.000 aan uitkeringen uit Nederland in de vorm van een AOW-uitkering van de Sociale Verzekeringsbank en een pensioenuitkering van de Stichting Spoorwegpensioenfonds. Het pensioenfonds hield op de uitkering Nederlandse loonheffing in.

In 2013 ontving X een brief van het pensioenfonds waarin het aangaf dat van 6 september 1971 tot 1 januari 1994 sprake was van ‘100% staatsrechtelijke opbouw’ en van 1 januari 1994 tot 1 juli 2008 van ‘100% privaatrechtelijke opbouw’. Dit onderscheid heeft te maken met het per 1 januari 1994 privatiseren van de spoorwegen, waardoor een zelfstandige NV ontstond met de Nederlandse staat als aandeelhouder.

Dit onderscheid is van belang omdat op grond van artikel 12 van het tot 2016 geldende verdrag met Duitsland de woonstaat in beginsel mag heffen over pensioenen, tenzij en voor zover sprake is van uitkeringen door een publiekrechtelijke instellingen. Daarover heeft de werkstaat het heffingsrecht.
X stelt zich op het standpunt dat zijn pensioen niet in Nederland belast is, omdat Duitsland het volledige heffingsrecht heeft. De Nederlandse Spoorwegen NV is volgens hem weliswaar een overheidsbedrijf met de staat als enig aandeelhouder, maar desalniettemin een privaatrechtelijke onderneming.
De Belastingdienst vindt dat in elk geval tot 1 januari 1994 sprake is van een overheidspensioen als bedoeld in artikel 12 van het tot 2016 geldende belastingverdrag op grond waarvan het heffingsrecht aan Nederland toekomt.

Rechtbank: volledig privaatrechtelijk pensioen niet aannemelijk

De rechtbank Zeeland-West-Brabant overweegt dat op X de bewijslast rust aannemelijk te maken dat zijn pensioen volledig als privaatrechtelijk kan worden gekwalificeerd. De enkele stelling van X dat sprake is van een privaatrechtelijk pensioen gezien de rechtsvorm van zijn voormalige werkgever, is daarvoor volgens de rechtbank niet voldoende. X slaagt er niet in om zijn stelling voldoende te onderbouwen en de rechtbank handhaaft de aanslag dus op dit punt.

Schumacker-doctrine niet van toepassing

X beriep zich ook nog op de zogenoemde ‘Schumacker-doctrine’ terzake van niet geaccepteerde aftrekposten, zoals aftrek eigen woning, aftrek specifieke zorgkosten, giftenaftrek en het inkomstenbelastingdeel van de algemene heffingskorting en de ouderenkorting. Uit deze uitspraak van het Europese HvJ uit 1995 volgt dat, ofschoon in het gemeenschapsrecht de directe belastingen als zodanig niet tot de bevoegdheidssfeer van de EU behoren, lidstaten niettemin verplicht zijn om de bij hen verbleven bevoegdheid in overeenstemming met het gemeenschapsrecht uit te oefenen.

X stelt dat Duitsland als gevolg van zijn geringe inkomsten geen rekening heeft kunnen houden met zijn persoonlijke en gezinssituatie. Zijn pensioeninkomsten worden slechts voor 18% in de Duitse belastinggrondslag betrokken en komen daardoor niet boven de belastingvrije som uit. Als gevolg daarvan kan hij geen van de in de Duitse belastingaanslag opgenomen aftrekposten effectueren. Daarnaast stelt hij dat Duitsland geen enkele mogelijkheid kent om negatieve inkomsten in verband met de eigen woning in aftrek te brengen.

Volgens de rechtbank volgt uit de Schumacker-rechtspraak dat een lidstaat bepaalde (niet direct met een inkomensbron van die lidstaat samenhangende) belastingvoordelen met betrekking tot de persoonlijke- en gezinssituatie, in beginsel wel aan haar ingezetenen mag verlenen zonder dat deze belastingvoordelen ook aan de niet-ingezetenen ter beschikking staan. Dat onderscheid is in de regel niet discriminerend. Dit is evenwel anders in een geval waarin de niet-ingezetene geen inkomsten van betekenis geniet in de woonstaat en het grootste deel van zijn belastbaar inkomen verwerft in een andere lidstaat, met als gevolg dat de woonstaat hem niet de voordelen kan toekennen die voortvloeien uit het in aanmerking nemen van zijn persoonlijke- en gezinssituatie.

In zo’n geval kan het onthouden – door die andere lidstaat (werkstaat) – van de bedoelde belastingvoordelen aan een niet-ingezetene wel discriminatie opleveren.

Deze omstandigheden waarin bedoelde uitzondering op de regel zich voordoet, zijn volgens de rechtbank geen harde criteria. In het bijzonder is uit rechtspraak gebleken dat niet steeds een hard criterium is of het grootste deel van het belastbaar inkomen wordt verworven in de betrokken werkstaat.

In de onderhavige zaak staat volgens de rechtbank de vraag centraal of X een zodanig gering inkomen in Duitsland heeft dat Nederland belastingvoordelen met betrekking tot de persoonlijke en gezinssituatie moet toekennen aan hem. Van een te gering inkomen is sprake indien de woonstaat belanghebbende niet de voordelen kan toekennen waarop aanspraak ontstaat wanneer al het inkomen en zijn persoonlijke en gezinssituatie in de beschouwing worden betrokken. De beoordeling of sprake is van een te gering inkomen moet gebeuren naar maatstaven van de woonstaat.

De rechtbank stelt voorop dat op X de last rust om de feiten te stellen en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, aannemelijk te maken die van belang zijn voor de beoordeling of sprake is van een te gering inkomen, alsmede om een voldoende gemotiveerde onderbouwing te geven van de fiscale behandeling in de woonstaat.

De rechtbank overweegt dat X met de toelichting dat Duitsland een ander pensioenstelsel kent onvoldoende heeft onderbouwd dat het slechts voor 18% van de pensioeninkomsten in de heffing betrekken niet kan worden aangemerkt als een persoonlijke tegemoetkoming. X heeft in dat verband volgens de rechtbank geen (begin van) inzicht en onderbouwing gegeven in de achtergrond en ratio van de betreffende Duitse belastingregeling zoals deze in de situatie van belanghebbende wordt toegepast. Dit geldt eveneens voor de overige in de Duitse belastingaanslag toegepaste aftrekposten. De rechtbank verwerpt verder de stelling van X dat met de aftrekposten op de aanslag geen rekening moet worden gehouden omdat deze standaard worden toegepast bij het vaststellen van de Duitse belastingaanslag. Dat gegeven brengt naar het oordeel van de rechtbank niet mee dat met die posten geen rekening gehouden hoeft te worden bij de beoordeling van de situatie van X. X maakt dan ook niet aannemelijk dat Duitsland hem niet de voordelen kan toekennen waarop aanspraak ontstaat wanneer al het inkomen en de persoonlijke en gezinssituatie in de beschouwing worden betrokken.

Dat Duitsland geen mogelijkheid kent om negatieve uitgaven in verband met de eigen woning in aftrek te kunnen brengen, kan volgens de rechtbank evenmin tot een ander oordeel leiden. Bij de beoordeling of sprake is van een te gering inkomen moet immers worden uitgegaan van de belastingvoordelen met betrekking tot de persoonlijke en gezinssituatie waarop belanghebbende in de woonstaat aanspraak had kunnen maken. Voor zover Duitsland een dergelijke aftrek niet kent, is sprake van een dispariteit.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat Nederland niet verplicht is aan belanghebbende persoonlijke tegemoetkomingen toe te kennen,

Commentaar

X redeneerde alle feiten en omstandigheden wel erg naar zich toe. Voor de kwalificatie publiek of privaat pensioen nam hij de voor hem meest gunstige stelling in; geen heffingsrecht voor Nederland. Voor de aftrekposten deed hij met een beroep op het Schumacker arrest precies het tegenovergestelde. Nederland zou hem de belastingvoordelen met betrekking tot zijn persoonlijke en gezinssituatie juist wel moeten verlenen.

Op zich niks mis mee, X mag proberen het onderste uit de kan te halen. Maar moet zijn standpunten dan wel deugdelijk onderbouwen. En daar slaagde hij niet in.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 11 mei 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:2370

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 3 juni 2021.