Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Omstandigheid dat beslag is gelegd op deel pensioenuitkeringen betekent niet dat het niet is genoten door pensioengerechtigde

Omstandigheid dat beslag is gelegd op deel pensioenuitkeringen betekent niet dat het niet is genoten door pensioengerechtigde

27 augustus 2020

Op pensioenuitkering ligt beslag, zodat het grootste deel van het pensioen is uitbetaald aan beslaglegger. Voor de heffing van inkomstenbelasting wordt de volledige pensioenuitkering tot het belastbare inkomen van de pensioengerechtigde gerekend. De omstandigheid dat beslag is gelegd op een deel van de pensioenuitkering betekent niet dat het pensioen in zoverre niet door de pensioengerechtigde is genoten.

Executoriaal derdenbeslag op pensioenuitkeringen

X heeft bij een pensioenfonds een ingegaan ouderdomspensioen van bruto € 38.643 per jaar. In verband met een executoriaal derdenbeslag maakt het pensioenfonds € 20.619 over naar de schuldeiser. Het fonds bepaalde dit bedrag door de beslagvrije voet (€ 7.861) en de loonheffing en ZVW-bijdrage over het totale pensioen (respectievelijk € 8.038 en € 2.125) van de bruto pensioenuitkering af te trekken.

In zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen geeft X, naast zijn AOW-uitkering, een bedrag aan pensioen van het pensioenfonds aan van € 7.500 omdat hij dit bedrag daadwerkelijk van het pensioenfonds ontving. De inspecteur corrigeert dit door uit te gaan van de door het pensioenfonds verstrekte loongegevens en gaat uit van een pensioen ter grootte van € 38.643.
X maakt hiertegen bezwaar omdat volgens hem de pensioenuitkering slechts tot een bedrag van € 7.861 als genoten loon in aanmerking genomen zou moeten worden omdat hij dit bedrag van het pensioenfonds op zijn rekening heeft ontvangen. De inspecteur wijst het bezwaar echter af. X gaat hiertegen in beroep bij de rechtbank.

Rechtbank wijst beroep af; totale pensioen is genoten door X

De Rechtbank overweegt dat artikel 3.81, in samenhang met artikel 3.146, eerste lid van de Wet IB 2001 – voor zover in dit geval van belang – bepaalt dat loon wordt geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop het is ontvangen, verrekend, of ter beschikking wordt gesteld, dan wel rentedragend of vorderbaar en inbaar is geworden.

Voor de heffing van de inkomstenbelasting moet daarom volgens de Rechtbank de gehele pensioenuitkering afkomstig van het pensioenfonds worden aangemerkt als aan X ter beschikking te zijn gesteld. Dit wordt naar het oordeel van de Rechtbank niet anders doordat het pensioenfonds onmiddellijk in aansluiting hierop vanwege het beslag een deel van het pensioen feitelijk heeft uitbetaald aan degene ten behoeve van wie beslag is gelegd in plaats van aan X zelf.
Gelet op het bepaalde in de artikelen 3.81 en 3.146 Wet IB 2001 concludeert de Rechtbank dat het door het pensioenfonds aan de beslaglegger uitgekeerde bedrag dan ook geacht wordt te zijn genoten door X. Door de inhouding en betaling aan de schuldeiser wordt de vordering van de schuldeiser immers verminderd. Naar het oordeel van de Rechtbank is de aanslag IB/PVV daarom op een juist bedrag vastgesteld en is het beroep ongegrond.

Gerechtshof bevestigt in hoger beroep uitspraak Rechtbank

X tekent bij het Gerechtshof hoger beroep aan tegen de uitspraak van de Rechtbank. Het Hof concludeert dat de Rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat de pensioenuitkering van € 38.643 afkomstig van het pensioenfonds volledig tot het belastbaar inkomen van X moet worden gerekend. De omstandigheid dat loonbeslag was gelegd op een deel van de pensioenuitkering betekent volgens het Hof niet dat het pensioen in zoverre niet door X is genoten. Het Hof sluit zich daarom aan bij de overwegingen van de Rechtbank en maakt deze tot de zijne. Het Hof bevestigt dan ook de uitspraak van de Rechtbank.

Commentaar

Voor de vraag bij wie een pensioenuitkering belastbaar is, is niet van belang op wiens rekening die wordt gestort, maar wie de fiscale genieter is. Gevoelsmatig (en feitelijk) ontving X ten gevolge van het beslag weliswaar een lager bedrag aan pensioen, maar fiscaal niet. Hij was de fiscale genieter van de uitkering, die door het pensioenfonds gedeeltelijk aan een ander werd uitbetaald omdat er beslag was gelegd. Het argument van X dat hij, doordat hij alleen de beslagvrije voet daadwerkelijk ontving, niet in staat was de verschuldigde inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen te betalen, vond geen gehoor bij de Rechtbank en bij het Hof. X kon immers de Ontvanger van de Belastingdienst om een betalingsregeling verzoeken.

Kortom een uitspraak die past in de systematiek van de Wet IB 2001, al zal X daar gemengde gevoelens bij hebben.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Den Haag, 15 juli 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1488

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 27 augustus 2020.