Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Omzetting stakingswinst in lijfrente geeft geen verlaging bijdrage-inkomen

Omzetting stakingswinst in lijfrente geeft geen verlaging bijdrage-inkomen

4 februari 2020

X staakte zijn onderneming in 2016. De stakingswinst bestond alleen uit stille reserves. X gebruikte de stakingswinst volledig voor een bancaire lijfrente. Hij bracht de koopsom voor deze lijfrente in mindering gebracht op zijn inkomen. De belastinginspecteur paste voor de zorgverzekeringswet  het bijdrage-inkomen aan, omdat hiervoor de lijfrente-aftrek niet van toepassing is. X is het hier niet mee eens en gaat naar de rechtbank.

Is hier sprake van ongelijke behandeling?

De rechtbank stelt dat vast staat dat X op grond van Zorgverzekeringswet (Zvw) een inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is. Het geschil gaat over het feit of X de stakingswinst in mindering mag brengen op het inkomen over 2016 en daardoor een veel lager bijdrage-inkomen voor de Zvw heeft.

Gelijkheidsbeginsel

X stelt dat het gelijkheidsbeginsel uit het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden. Hij verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2175). In dit arrest wordt ervan uitgegaan dat het afstorten van de Fiscale Oudedagsreserve (hierna FOR) in een lijfrentevoorziening gelijk zou moeten zijn aan de vermindering van het bijdrage-inkomen door het betalen van pensioenpremies. In dat arrest wordt de FOR gezien als een oudedagsvoorziening. X stelt dat zijn situatie gelijk is aan de situatie waarin een stakingslijfrente wordt bedongen voor de omzetting/vrijval van de FOR. Hij wijst er hierbij op dat er voldoende gevallen zijn waarin een ondernemer geen FOR kan opbouwen. In die situaties moet de verkoop van de onderneming in een oudedagsvoorziening voorzien. Daarnaast stelt X dat het zowel bij de lijfrenteaftrek voor de FOR als de lijfrenteaftrek voor stakingswinst gaat om eenmalige posten en dat het geen regulier inkomen betreft. Bovendien zijn er volgens X geen objectieve rechtvaardigingsgronden voor een ongelijke behandeling. De uitvoeringsproblematiek is namelijk exact hetzelfde als bij een stakingslijfrente die is bedongen vanwege de vrijval van een FOR.
De Belastingdienst stelt dat de situatie waarin een oudedagsvoorziening wordt opgebouwd door middel van een lijfrente zodanig verschilt van de situatie waarin een werknemer deelneemt aan een pensioenregeling, dat er geen sprake is van gelijke gevallen.

De uitspraak van de rechtbank

De rechtbank geeft aan dat de Hoge Raad in het bovengenoemde arrest het volgende heeft overwogen: “Voor de heffing van de inkomensafhankelijke bijdrage houdt artikel 43 van de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) in, (…), dat onderscheid wordt gemaakt tussen verzekeringsplichtigen voor de Zvw die (i) in dienstbetrekking een oudedagsvoorziening opbouwen met toepassing van artikel 11, lid 1, letter c en letter j, ten eerste, van de Wet op de loonbelasting 1964, (ii) als ondernemer een oudedagsvoorziening opbouwen door middel van fiscaal aftrekbare premies voor een verplichte pensioenregeling of door een fiscaal aftrekbare toevoeging aan een FOR, en (iii) al dan niet in aanvulling op de hiervoor genoemde oudedagsvoorziening een dergelijke voorziening opbouwen door middel van een lijfrente.
In de onder (i) en (ii) genoemde gevallen wordt over de opbouw van de oudedagsvoorzieningen geen inkomensafhankelijke bijdrage geheven. In de onder (i) genoemde gevallen niet doordat de door de werknemer betaalde pensioenpremies en de bijdrage van de werkgever voor dat pensioen niet tot het loon behoren waarover de inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is. In de onder (ii) genoemde gevallen niet doordat de premies voor de pensioenregeling en toevoegingen aan de FOR in mindering komen op de winst waarover de inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is (artikelen 3.18 en 3.67 Wet IB 2001). In de onder (iii) genoemde gevallen wordt over de opbouw van oudedagsvoorzieningen een inkomensafhankelijke bijdrage geheven zonder rekening te houden met enige aftrek van voor de lijfrente betaalde premies.”

Op grond hiervan is de rechtbank van mening dat de FOR onder de tweede pijler valt, omdat de bron een premie of dotatie is voor een pensioenvoorziening en dat de stakingswinst die wordt aangewend als stakingslijfrente onder de derde pijler valt. Om die reden kan afstorting van de stakingswinst als stakingslijfrente niet gelijkgesteld worden aan de afstorting van de FOR voor een lijfrente voorziening. Deze oudedagsvoorziening wordt vrijwillig en op eigen verantwoordelijkheid opgebouwd. Het causale verband tussen de opbouw van het pensioen en het inkomen en de arbeidsduur, waarvan in de tweede pijler sprake is, ontbreekt in deze derde pijler, aldus de rechtbank. De aankoop van een lijfrente in verband met behaalde stakingswinst is daarom volgens de rechtbank een vorm van oudedagsvoorziening die in de derde pijler valt. Bovendien kan door een stakingslijfrente in voorkomende gevallen een (veel) hogere oudedagsvoorziening worden opgebouwd dan de toegestane opbouw van een pensioenvoorziening in de tweede pijler, aldus de rechtbank. Daarnaast vindt de opbouw van deze oudedagsvoorziening incidenteel, in beginsel eenmalig zoals bij eiser, plaats. Dit in tegenstelling tot de gevallen onder (i) en (ii) waar in het algemeen jaarlijks een pensioenpremie wordt betaald of een toevoeging aan de FOR wordt gedaan.
Om deze redenen is de rechtbank van mening dat er geen sprake is van gelijke gevallen.

Commentaar

In ons nieuwsbericht over het arrest van de Hoge Raad in 2018 gaven wij al aan het reëler te vinden wanneer alle afgetrokken lijfrentepremies ter compensatie van een pensioentekort niet zouden meetellen als bijdrage-inkomen voor de Zvw. Dit omdat een werknemer of een ondernemer die zijn beperkte pensioenopbouw of gemis aan pensioenopbouw compenseert door een pensioen op te bouwen in de derde pijler met een lijfrente kan nog steeds geconfronteerd worden met de dubbele heffing van Zvw-premies.

Het is niet vreemd dat X een beroep doet op de Hoge Raad uitspraak en uitgaat van het gelijkheidsbeginsel voor het aanwenden van de stakingswinst voor een lijfrente, als oudedagsvoorziening. De Hoge Raad gaf in de uitspraak immers aan dat er bij de ondernemer sprake was van tweemaal een bijdrage betalen voor het afstorten van de oudedagsreserve. Namelijk bij staking als de oudedagsreserve wordt gestort voor de lijfrentevoorziening en als de lijfrente-uitkeringen worden genoten. Bij het aanwenden van de stakingswinst, niet zijnde de oudedagsreserve, is dat niet anders. De stakingswinst mag ook ten laste van het inkomen worden gebracht wanneer hiervoor een lijfrente wordt aangekocht, maar telt wel mee voor het bijdrage-inkomen Svw. Ook hier zal over de lijfrente-uitkeringen weer een inkomensafhankelijke bijdrage Svw verschuldigd zijn. De rechtbank gaat hier helemaal aan voorbij. De rechtbank ziet de FOR hier als gelijk aan een tweede pijler pensioen, terwijl het in de uitspraak van de Hoge Raad ging over het afstorten van de FOR voor een lijfrentevoorziening (derde pijler). Er zijn bij het afstorten van de FOR en het afstorten van een stakingslijfrente voor een lijfrentevoorziening meer overeenkomsten dan verschillen. Als X besluit verder te procederen, kan de uitkomst weer heel anders worden.

Auteur: Joanna Hildering, adviseur Aegon Adfis
Bron: Rechtbank Noord-Holland, 24 december 2019

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 3 februari 2020