Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Onderzoek kabinet naar grensoverschrijdende pensioenuitvoering

29 december 2016

De Tweede Kamer uitte meerdere malen de zorg dat Nederlandse bedrijven hun pensioen in het buitenland onderbrengen. En dat er andersom weinig animo is om buitenlandse pensioenen in Nederland onder te brengen. Het kabinet liet hier onderzoek naar doen. Vlak voor kerst verscheen het resultaat van het onderzoek en de reactie van het kabinet.

Doel en opzet onderzoek

Sinds de inwerkingtreding van de IORP-richtlijn in 2003 kunnen pensioenfondsen grensoverschrijdende pensioendiensten in de Europese Unie (EU) aanbieden. Het onderzoek inventariseert welke behoeften, kansen en mogelijke knelpunten internationale en middelgrote ondernemingen, pensioenuitvoerders, adviseurs en werknemers(vertegenwoordigers) ervaren ten aanzien van de huidige grensoverschrijdende pensioendienstverlening in het buitenland én die in Nederland. Het SEO voerde het onderzoek uit op basis van deskresearch, interviews met 25 marktpartijen en De Nederlandsche Bank (DNB).

De resultaten van het onderzoek vallen uiteen in drie onderwerpen:

  1. Omvang van grensoverschrijdende uitvoering van Nederlandse pensioenregelingen in buitenland en buitenlandse regelingen in Nederland;
  2. Verschillen in wet- en regelgeving tussen Nederland en andere lidstaten;
  3. De door de onderzoekers geconstateerde knelpunten en oplossingsrichtingen.

Omvang grensoverschrijdende uitvoering vanuit Nederlands perspectief

Uit het rapport blijkt dat in oktober 2016, 19 Nederlandse pensioenregelingen in een andere lidstaat worden uitgevoerd. België is hierbij de belangrijkste ‘lidstaat van bestemming’ met zeven Nederlandse pensioenregelingen. Onder de 19 Nederlandse pensioenregelingen vallen ongeveer 10.400 deelnemers; Belgische uitvoerders voeren voor ongeveer 10.200 deelnemers de pensioenregeling uit. De totale grensoverschrijdende uitvoering betreft daarmee minder dan 0,1 procent van het totaal aantal deelnemers aan een pensioenregeling in Nederland. Het totale belegde vermogen van deze regelingen bedraagt € 1,55 miljard (ongeveer 0,1 procent van het totale belegd vermogen van Nederlandse pensioenfondsen). Gelet op het zwaartepunt van de buitenlandse uitvoering in België gaf het onderzoek de meeste aandacht aan de beweegredenen voor een vertrek naar deze lidstaat.

De grensoverschrijdende uitvoering van pensioenregelingen betreft vooral multinationals. De belangrijkste overweging van multinationals om het pensioen in een ander land onder te brengen is het bereiken van schaalvoordelen door pensioenregelingen uit verschillende landen onder te brengen bij één uitvoerder. Daarbij speelt eveneens de mogelijkheid om in andere landen de sponsorgarantie mee te nemen bij de vaststelling van de hoogte van de technische voorzieningen en vereiste buffers, terwijl dat in Nederland niet kan. Het onderzoek maakt duidelijk dat op dit moment een klein aantal werkgevers met een ondernemingspensioenfond een mogelijke overdracht van de Nederlandse pensioenregeling naar een Belgisch pensioenfonds bestudeert. Uit het rapport komt naar voren dat pensioenadviseurs verwachten dat er mogelijk nog rond de 10 multinationals in de toekomst hun Nederlandse pensioenregelingen in een andere EU-lidstaat zullen laten uitvoeren. Het lijkt waarschijnlijk dat deze multinationals vergelijkbaar zijn met de ondernemingen die hun Nederlandse regeling in België hebben ondergebracht of deze intentie hebben aangekondigd zoals Aon Hewitt, BP en ExxonMobil. De animo voor grensoverschrijdende overdracht onder middelgrote Nederlandse ondernemingen achten de geïnterviewden vrijwel nihil.

Naast de grensoverschrijdende uitvoering van Nederlandse pensioenregelingen in het buitenland, kunnen ook buitenlandse pensioenregelingen in Nederland worden uitgevoerd. Uit het rapport komt naar voren dat in oktober 2016 geen buitenlandse pensioenregelingen in Nederland worden uitgevoerd. Geen van de respondenten verwacht dat buitenlandse bedrijven met een DB-regeling interesse zullen hebben in uitvoering van een dergelijke regeling in Nederland. Belangrijkste reden: het Nederlandse financiële toetsingskader. Voor DC-regelingen verwacht een aantal respondenten wel vraag vanuit het buitenland. Respondenten noemen als voordeel van Nederland de inrichting van life-cycle beleggen, de gedegen inrichting van het vermogensbeheer, risk pooling en administratie. Buitenlandse partijen vinden de wetgeving rondom vermogensbeheer zeer gedegen en aantrekkelijk, omdat het vertrouwen geeft (onder andere transparantie over kosten, bescherming van assets en toepassing van een rangregeling). Bovendien kent Nederland veel gedegen en ervaren uitvoeringspartijen. Anderzijds is er geen specifieke reden om een buitenlandse DC-regeling in Nederland onder te brengen.

Verschillen in wet- en regelgeving tussen Nederland en andere EU-lidstaten

Multinationals zijn een belangrijke factor achter de grensoverschrijdende pensioenregelingen. Deze ondernemingen zoeken naar kosten- en organisatievoordelen bij de uitvoering van de verschillende nationale pensioenregelingen van de organisatie. Een belangrijk aspect daarbij is dat pensioenregelingen in belangrijke mate een nationaal karakter behouden als gevolg van nationaal sociaal- en arbeidsrecht en fiscale bepalingen. Het toezichtkader is daarmee in belangrijke mate geënt op deze nationale context.

De IORP-richtlijn stelt Europese minimumnormen aan de pensioenfondsen. Alle lidstaten moeten in hun wetgeving voor kapitaalgedekte pensioenuitvoerders ten minste de minimumnormen hanteren van de IORP-richtlijn. De IORP-richtlijn maakt onderscheid tussen twee typen pensioenuitvoerders:

  1. een pensioenuitvoerder die zelf een dekking tegen biometrische risico’s verzekert of een beleggingsrendement of een bepaalde hoogte van de uitkeringen garandeert;
  2. een pensioenuitvoerder waar deze verantwoordelijkheid bij de bijdragende onderneming ligt.

 

De Belgische wet kent beide typen pensioenuitvoerders. In de praktijk is vooral sprake van het tweede type pensioenuitvoerder. Mocht de garantie niet kunnen worden nagekomen door de pensioenuitvoerder, dan moet uiteindelijk de Belgische werkgever verplicht een bijstorting doen. In Nederland kennen we dit type pensioenuitvoerder niet. Volgens de IORP-richtlijn moeten de berekening en financiering van de technische voorzieningen, de vaststelling van het vereist vermogen en de beleggingsvoorschriften van pensioeninstellingen prudent gebeuren. Dit geldt ongeacht het type pensioenuitvoerder.

De Nederlandse wetgeving stelt deels kwalitatieve en deels kwantitatieve normen, uitgewerkt in het financieel toetsingskader (ftk). De onderzoekers stellen vast dat in Nederland de sponsorgarantie van de werkgever geen rol speelt in het Nederlandse ftk: de pensioenverplichtingen moeten zonder medeneming van de solvabiliteit van de werkgever worden gefinancierd. Een sponsorgarantie kent namelijk ook risico’s, omdat risico’s vooruit in de tijd worden geschoven en de solvabiliteit van de werkgever kan fluctueren. En omdat een onderneming failliet kan gaan, waardoor de sponsorgarantie vervalt.

Knelpunten en oplossingsrichtingen

De onderzoekers vroegen expliciet naar mogelijke knelpunten die de betrokkenen ervaren en eventuele oplossingen. Hieruit komt het beeld naar voren dat de beperkte mate van maatvoering in het Nederlandse ftk – ten aanzien van de sponsorgarantie - door sommigen als een knelpunt wordt ervaren. Daarnaast ervaren sommigen ook de governance-eisen in Nederland als zwaar – met name aan de kant van de werkgevers – terwijl daarentegen de governance-eisen voor werknemers juist een reden zijn om liever in Nederland te blijven. Tot slot zijn sommigen van mening dat er sprake is van een inactieve houding van de Nederlandse overheid om buitenlandse regelingen hier naartoe te halen ten opzichte van andere landen. Als mogelijke oplossingsrichtingen noemt het rapport:

  • Flexibeler maken van het financieel toetsingskader en de governance-eisen;
  • Europese harmonisering van prudentieel toezicht en governance-eisen;
  • Actieve houding Nederlandse overheid.

 

De onderzoekers vroegen ook expliciet naar eventuele fiscale beweegredenen. Uit de interviews kwam niet naar voren dat het onderbrengen van de pensioenregeling in een andere EU-lidstaat het gevolg zou zijn van het Nederlandse fiscale kader.

Reactie kabinet

De keuze om een pensioenregeling bij een bepaalde pensioenuitvoerder onder te brengen is volgens het kabinet een verantwoordelijkheid van sociale partners. Voor het kabinet is bij de beoordeling van een grensoverschrijdende uitvoering van een Nederlandse pensioenregeling vooral van belang dat de deelnemer voldoende beschermd wordt. En dat de deelnemers stevige zeggenschap hebben en behouden over de vraag of hun pensioenregeling in Nederland of het buitenland ondergebracht moet worden. Uit het onderzoek van SEO blijkt dat de huidige omvang van het aantal Nederlandse regelingen die in het buitenland worden uitgevoerd zeer beperkt is. Op basis van het onderzoek lijkt de aantrekkelijkheid van het uitvoeren van een Nederlandse pensioenregeling in België ook in de toekomst vooralsnog geen grote vormen aan te nemen en beperkt te blijven tot enkele multinationals die schaalvoordelen zoeken.

De sponsorgarantie

Er is in Nederland bewust voor gekozen om een sponsorgarantie van een werkgever niet op te nemen als een van de elementen waarmee rekening kan worden gehouden bij het vaststellen van de vereiste technische voorzieningen en buffers in het ftk. De achterliggende reden hiervoor is dat een onderneming failliet kan gaan, waarmee de sponsorgarantie zijn waarde verliest. Het kabinet acht het niet wenselijk om de sponsorgarantie alsnog in het Nederlandse stelsel te introduceren. Elke lidstaat kiest echter voor een eigen invulling in dezen. Daarbij kunnen uiteraard verschillen ontstaan tussen de lidstaten onderling. De IORP-richtlijn waarborgt echter dat er sprake is van minimumeisen op basis waarvan berekening en financiering van de technische voorzieningen, vaststelling van het vereist vermogen en beleggingsvoorschriften van pensioeninstellingen prudent gebeuren.

Rol van de overheid bij aantrekken buitenlandse regelingen

Met betrekking tot het uitvoeren van buitenlandse pensioenregelingen in Nederland wijst het kabinet er op dat de afgelopen jaren twee nieuwe pensioenuitvoerders zijn geïntroduceerd: de premiepensioeninstelling (PPI) en het algemeen pensioenfonds (APF). Zowel de PPI als het APF kunnen naar de mening van het kabinet interessante uitvoeringsopties zijn voor buitenlandse partijen.

Een PPI is primair gericht op de uitvoering van DC-regelingen en kan voor buitenlandse partijen aantrekkelijk zijn vanwege de lage uitvoeringskosten en eenvoudige organisatiestructuur van de uitvoerder. Het APF biedt zowel Nederlandse als buitenlandse partijen de mogelijkheid om verschillende pensioenregelingen binnen een pensioenfonds financieel afgescheiden van elkaar uit te voeren. Bij het APF is sprake van collectiviteitkringen met een daarop toegesneden governance. Voor een buitenlandse pensioenregeling die in een afgescheiden vermogen wordt uitgevoerd biedt dit in potentie mogelijkheden voor maatwerk, zonder dat dit maatwerk impact heeft op de governance van andere afgescheiden vermogens waarin Nederlandse regelingen worden uitgevoerd. Het kabinet zal nader bestuderen of er aanpassingen nodig zijn om deze potentie van het APF voor buitenlandse regelingen tot wasdom te laten komen en, zo ja, wat de effecten daarvan zijn.

Een aantal van de geïnterviewden zou graag zien dat de Nederlandse overheid, naast deze initiatieven, een actievere rol speelt bij het bewerkstelligen van de uitvoering van buitenlandse pensioenregelingen in Nederland. Het kabinet is van mening dat dit voornamelijk een taak is van de pensioenuitvoerders als private partijen. Dat neemt niet weg dat het kabinet bereid is waar nodig en mogelijk haar voorlichtende rol in dezen zeer energiek te blijven vervullen.

Commentaar

Het SEO deed op verzoek van het kabinet uitgebreid onderzoek naar de België-route en onderzocht waarom Nederlandse bedrijven hun pensioenregeling in het buitenland (België) willen onderbrengen. En wanneer buitenlandse regelingen in Nederland ondergebracht zouden worden. De conclusies komen niet echt als een verrassing.

Voor veel leden van de Tweede Kamer is de “België-route” voor pensioenfondsen een erg gevoelig onderwerp. Dat blijkt wel uit de vele vragen die de leden hierover jarenlang stellen. Enige vasthoudendheid kunnen we de Kamerleden wel meegeven. Zo’n tien jaar geleden publiceerde het kabinet antwoorden op Kamervragen “over toezichtregimes op pensioenfondsen in de Europese Unie”**. De inleiding van de brief van Donner: “In deze brief zal ik eerst kort aangeven in welke gevallen een pensioenregeling in een andere lidstaat kan worden uitgevoerd en wie deze beslissing kan beïnvloeden. Vervolgens ga ik in op de juridische gevolgen van de uitvoering in een andere lidstaat. Daarna bespreek ik het financieel toezichtregime als reden voor de keuze voor een andere lidstaat. Daarbij beantwoord ik de vraag wat Nederland doet om een aantrekkelijk vestigingsland te zijn. Tot slot zal ik de situatie in België als concreet voorbeeld uitwerken.” Toch bijzonder dat de Tweede Kamer bijna tien jaar later nog steeds dezelfde vragen stelt. En –niet verwonderlijk-  vergelijkbare antwoorden krijgt.

 

Auteur: Erik Schouten, adviseur internationaal pensioen Aegon Adfis

Bron: Kamerbrief over grensoverschrijdende pensioenregelingen, 21 december 2016.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 28 december 2016

 

*IORP staat voor Institution for Occupational Retirement Provision (een instelling voor bedrijfspensioenvoorzieningen).

**Brief van minister Donner over toezichtregimes op pensioenfondsen in de Europese Unie, 15 augustus 2007.