Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Ontslagstamrecht verevenen bij echtscheiding?

2 augustus 2016

En man bedong voor zijn ontslagvergoeding een stamrecht bij zijn eigen BV. Bij scheiding eiste zijn vrouw de helft van de waarde van het stamrecht op. Daar was de man het niet mee eens. Wie stelde de Hoge Raad in het gelijk?

Ontslagstamrecht verknocht of gemeenschappelijk vermogen?

Een man en vrouw waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Het huwelijk werd op 24 juni 2013 ontbonden. De man kreeg in 2007 een ontslagvergoeding van circa € 282.000. Met zijn ex-werkgever kwam hij overeen dat hij hiervoor een stamrecht bedong bij de door hem opgerichte Stamrecht BV. Het stamrecht betrof een aanspraak op een uitgestelde periodieke uitkering.

De vrouw stelt dat het stamrecht in de huwelijksgemeenschap valt. De man ontkent dit. Hij stelt dat de aanspraak op het stamrecht op een bijzondere wijze aan hem verknocht is en daardoor niet tot het gemeenschappelijke vermogen behoort.

Gerechtshof

Het Hof stelt de man in het gelijk. Het Hof overwoog als volgt:

“Ervan uitgaande dat de vergoeding die de man heeft ontvangen door partijen deels is geëtiketteerd als verlies van toekomstig (arbeids)inkomen, brengt dit naar maatschappelijke normen met zich mee dat de uitkeringen die worden gedaan vanuit deze vergoeding die betrekking hebben op de periode die is gelegen na de ontbinding van de gemeenschap, aangemerkt moeten worden als zijnde verknocht. Gelden die zijn uitgekeerd voor de ontbinding van de gemeenschap vallen in de huwelijksgemeenschap en de gelden die eerst tot uitkering komen na de ontbinding van de gemeenschap zijn dan aan de man verknocht, hetgeen impliceert dat de vrouw daarop geen vermogensrechtelijke aanspraken heeft.

De man heeft tot op het moment van scheiding nog geen uitkering uit de Stamrecht BV ontvangen. Of de uitkering nu bedoeld was als aanvulling op het pensioen of als inkomenssuppletie maakt niet uit. Het gehele stamrecht behoort volgens het Hof niet tot de huwelijksgemeenschap.

De Hoge Raad

De Hoge Raad is het met het Hof eens dat de ontslagvergoeding dient ter vervanging van gederfd loon. Daarin brengt het bedingen van een stamrecht geen verandering. Voor beantwoording van de vraag of het stamrecht verknocht is, haalt de Hoge Raad jurisprudentie aan die is gewezen voor stamrechtverzekeringen. Volgens deze jurisprudentie moet men onderscheid maken tussen aanspraken die zien op de periode vóór en ná ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Deze laatste vallen niet in de gemeenschap. Zij zijn immers te vergelijken met de aanspraak op loon voor nog te verrichten arbeid bij voorzetting van de dienstbetrekking*. Volgens de Hoge Raad bestaat er geen aanleiding om een aanspraak op stamrecht bij een stamrecht BV anders te beoordelen dan een stamrechtverzekering. In beide gevallen strekt de aanspraak op periodieke uitkeringen tot vervanging van inkomen dat de man bij voortzetting van de dienstbetrekking zou hebben genoten. Dus ook bij de beantwoording van de vraag of een aanspraak bij een stamrecht-bv in de huwelijksgemeenschap valt, moet onderzocht worden in hoeverre die aanspraak ziet op de periode voor, respectievelijk na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap.

Omdat het gaat om de strekking van de aanspraak is het volgens de Hoge Raad niet van belang in hoeverre de man de stamrechtuitkeringen daadwerkelijk heeft verzilverd. De uitspraak van Hof dat het stamrecht niet tot het huwelijksvermogen behoorde omdat de man tot het moment van echtscheiding geen enkele uitkering van de BV had ontvangen, is dan ook niet juist. De Hoge Raad verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam om vast te stellen in hoeverre het stamrecht ziet op de periode vóór de echtscheidingsdatum.

Commentaar

Uit eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad over de vraag of een ontslagstamrecht bij echtscheiding gemeenschappelijk vermogen is blijkt maatgevend in hoeverre de aanspraken op het stamrecht zien op de periode vóór en ná ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Met de huidige uitspraak voegt de Hoge Raad daaraan een belangrijk aspect toe: Het is bij die beoordeling niet van belang in hoeverre de gerechtigde daadwerkelijk al uitkeringen heeft ontvangen.

Deze toevoeging vinden wij terecht. Want in geval dat de man de ontslagvergoeding had aangewend voor een direct ingaande periodieke uitkering was een aantal van die uitkeringen in de huwelijksgemeenschap gevallen. Het lijkt onbillijk dat dit nu niet gebeurt doordat de man in deze situatie koos voor een uitgestelde periodieke uitkering. Wij zijn benieuwd op welke wijze het Hof Amsterdam het stamrecht toerekent aan de periode vóór en na de echtscheiding. Voor de praktijk is de wijze waarop het stamrecht dient te worden verdeeld van wezenlijk belang.

* HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9080, NJ 2009/41.

Auteur: Paul Lavrijssen adviseur Aegon Adfis

Bron: Hoge Raad 24 juni 2016

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 1 augustus 2016.