Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Ontslagvergoeding uit VS aangemerkt als lijfrente: Nederland mag heffen

14 mei 2018

Meneer X ontvangt een ontslagvergoeding vanwege de beëindiging van zijn werkzaamheden in de VS. Deze vergoeding stort hij in zijn stamrecht-BV. X vindt dat een uitkering uit deze stamrecht-BV moet worden aangemerkt als loon. En dus belast is in de VS. Ook na verwijzing door de Hoge Raad oordeelt het hof dat Nederland hierover belasting mag heffen.

Aard van een buitenlandse stamrechtuitkering

X was van 1 maart 1977 tot en met 30 september 2010 in dienstverband werkzaam voor B Concern. Hij werkte in onder meer Schotland en Brunei en vanaf april 1997 tot en met september 2010 voor B in de Verenigde Staten van Amerika (de VS). In die laatste periode woonde X ook in de VS.

X keerde op  19 oktober 2010 terug naar Nederland. Volgens een vaststellingsovereenkomst is het dienstverband tussen X en B op 12 november 2010 beëindigd. In verband met het ontslag kreeg X van B een vergoeding van € 375.205. X laat B de ontslagvergoeding overmaken naar zijn Stamrecht BV (S BV). S BV keerde aan X in september 2011 een uitkering uit waarop zij een bedrag van € 463,75 aan loonheffingen inhield en afdroeg.

X maakt bezwaar tegen de inhouding van loonheffing. Volgens hem moet de stamrechtuitkering worden aangemerkt als loon. Volgens het Verdrag te voorkoming van dubbele belasting met de VS (Verdrag) komt de belastingheffing over loon toe aan de VS.

De rechtbank is van mening dat de stamrechtuitkering moet worden aangemerkt als een soort pensioen. In dat geval mag Nederland volgens het Verdrag belasting heffen.

Op het beroep van X concludeert het gerechtshof dat de stamrechtuitkering een lijfrente is en dat op het grond van het Verdrag Nederland hierover mag heffen. Zie onze nieuwsberichten van 30 december 2014 en 28 juni 2016.

Verwijzing door de Hoge Raad

Volgens de Hoge Raad is het recht op periodieke uitkeringen dat een (ex- )werknemer in het kader van de beëindiging van de dienstbetrekking van zijn (ex-)werkgever verkrijgt geen lijfrente. Daarbij maakt het niet uit of de (ex-)werkgever de verplichting tot het doen van die periodieke uitkeringen tegen betaling heeft overgedragen aan een zogenaamde stamrecht-BV die hij zelf heeft opgericht.

Omdat het hof de stelling van de inspecteur, dat de uitkering soortgelijk is aan een pensioenuitkering niet heeft beoordeeld  wijst de Hoge Raad een ander gerechtshof aan om te  oordelen over de aard van de uitkering. In deze verwijzing geeft de Hoge Raad nog mee:

“Indien naar het oordeel van het verwijzingshof geen sprake is van pensioen, dient het voorts te onderzoeken of Nederland over de uitkering kan heffen op grond van artikel 16 van het Verdrag. In dat verband zal onderzocht moeten worden of de ontslagvergoeding ten laste is gekomen van een Nederlandse werkgever van belanghebbende en niet is doorbelast naar de VS, zoals de Inspecteur subsidiair bij de Rechtbank heeft gesteld (vgl. HR 11 juni 2004, nr. 37714, ECLI:NL:HR:2004:AF7812, BNB 2004/344 en nr. 38112, ECLI:NL:HR:2004:AF7816, BNB 2004/345).”

Ontslagvergoeding ten laste van Nederlandse werkgever

Het hof interpreteert de verwijzingsopdracht van de Hoge Raad dat zij moet onderzoeken of de stamrechtuitkering een pensioenuitkering of een beloning is uit niet-zelfstandige arbeid waarvoor verschillende artikelen in het Verdrag gelden. Bij pensioen is de uitkering belast in Nederland. Als er daarentegen sprake is van niet-zelfstandige arbeid wordt de uitkering belast in de werkstaat. Voor dat laatste moet het hof tevens onderzoeken of de ontslagvergoeding ten laste is gekomen van een Nederlandse werkgever van X en niet is doorbelast naar (een vennootschap of vaste inrichting gevestigd in) de VS.

Het Hof concludeert dat de ontslagvergoeding ten laste is gekomen van een Nederlandse werkgever van X en niet is doorbelast naar een vennootschap gevestigd in de VS. Op grond van deze conclusie stelt het hof:

“Gelet op het bovenstaande is de heffing over de lijfrente-uitkering aan Nederland toegewezen en is het gelijk dus aan de Inspecteur. De vraag of de uitkering soortgelijk is aan een pensioenuitkering in de zin van artikel 19 van het Verdrag behoeft geen beantwoording.“

Commentaar

Het verwijzingshof moet van de Hoge Raad onderzoeken wat de aard is van de stamrechtuitkering en of de ontslagvergoeding ten laste is gekomen van een Nederlandse werkgever. Het hof oordeelt dat het laatste het geval is en dat de uitkering dus in Nederland is belast. Daardoor komt het hof niet meer toe aan de beoordeling van de aard van de uitkering. Dat is ook niet meer nodig want zowel bij pensioen als bij beloning uit niet-zelfstandige arbeid mag Nederland volgens eerdere jurisprudentie heffen. In geval dat de ontslagvergoeding ten laste is gekomen van een Nederlandse werkgever wordt kennelijk de conclusie getrokken dat Nederland voor de niet-zelfstandige arbeid moet worden aangemerkt als werkstaat en niet de VS.

Deze laatste opvatting is arbitrair en achterhaald door de interpretatie van het OESO. Op 15 juli 2014 is het commentaar op het OESO-Modelverdrag gewijzigd. Volgens het OESO-commentaar moet de heffingsbevoegdheid van een grensoverschrijdende ontslagvergoeding worden toegekend op basis van de afgelopen twaalf maanden. Van doorslaggevend belang is welke staat het heffingsrecht heeft over het reguliere loon dat ter zake van die werkzaamheden is betaald. Hierbij is niet van belang of de beloning ten laste is gekomen van een werkgever in de werkstaat.

Op 23 april 2015 publiceerde de staatssecretaris van Financiën een besluit waarin hij aangeeft dat hij het OESO-commentaar zal volgen, maar hier geen terugwerkende kracht aan zal verbinden. Zodoende is het OESO-commentaar van toepassing verklaard op alle gevallen vanaf 15 juli 2014.

X kreeg de ontslagvergoeding al in 2010 en de eerste uitkering hieruit in 2011. De interpretatie van het OESO en het Besluit van de Staatssecretaris kwamen voor hem dus te laat. Het is voor X niet te hopen dat de VS de gewijzigde interpretatie van het OESO al in 2010 toepaste. Want in dat geval betaalt hij dubbele belasting!

                                                             

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24 april 2018

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 9 mei 2018