Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Ontwerpbesluit nettopensioen gepubliceerd

3 september 2014

Op 1 september 2014 stuurden de staatsecretarissen van SZW en Financiën het ontwerpbesluit nettopensioen naar de Tweede Kamer. Het besluit komt tegemoet aan diverse wensen van de Kamer, maar beantwoordt niet alle vragen. Daarnaast rekt het de taakafbakening op.

Het ontwerpbesluit

Het ontwerpbesluit gaat alleen maar in op de situatie dat een pensioenfonds de nettopensioenregeling uitvoert en gaat daarbij met name in op de fiscale hygiëne. Het ontwerpbesluit maakt niet duidelijk hoe e.e.a. uitwerkt op andere punten en voor andere uitvoerders dan pensioenfondsen, zoals bijvoorbeeld pensioenverzekeraars en PPI-en.

Fiscale hygiëne

Een pensioenfonds mag alleen een vrijwillige regeling uitvoeren als die een aanvulling is op de door het fonds uitgevoerde basisregeling. Wanneer een pensioenfonds meerdere pensioenregelingen uitvoert, vormen deze pensioenregelingen financieel één geheel. De combinatie van deze twee voorwaarden is de oorzaak van het vraagstuk van de fiscale hygiëne. Als een pensioenfonds een nettopensioen uitvoert, vormen de voorziening voor de basispensioenregeling en de voorziening voor de nettopensioenregeling één ongedeeld vermogen. Bruto en netto pensioengeld vormen samen dus één geheel. De kans bestaat dat als de deelnemers langer leven dan bij aanvang verwacht, de voorziening voor het nettopensioen op een gegeven moment is uitgeput. Deze uitkeringen zijn echter levenslang en zullen dan dus uit de voorziening voor de basispensioenregeling moeten komen. Op dat moment worden de gelden die zijn gevormd uit bruto stortingen dus netto uitgekeerd. Deze "kruisbestuiving" acht de wetgever onwenselijk. Daarom had het netto pensioen in eerste instantie uitsluitend de vorm van een zuivere beschikbare premieregeling.

Om een vrijwillige regeling in de vorm van een zuivere beschikbare premieregeling als pensioenfonds te mogen uitvoeren, moet de werkgever volgens de Pensioenwet ten minste 10% van de premie van de vrijwillige regeling bijdragen. De regeling voor nettopensioen schrijft echter ook voor dat indien de werkgever een bijdrage geeft aan werknemers die deelnemen, hij deze bijdrage ook moet geven aan werknemers die niet deelnemen, maar overigens in vergelijkbare omstandigheden verkeren. Dat maakt het voor pensioenfondsen onaantrekkelijk om de nettopensioenregeling aan te bieden in de vorm van een zuivere beschikbare premieregeling.

Een pensioenfond kan een vrijwillige beschikbare premieregeling ook uitvoeren als deze het pensioenkapitaal bij overlijden, pensionering of beëindiging deelnemerschap meteen omzet in een (uitgestelde) periodieke uitkering. In dat geval is geen bijdrage van de werkgever vereist. Het risico op kruisbestuiving is in deze variant echter groter dan bij de zuivere beschikbare premieregeling.

Het ontwerp besluit voegt één mogelijkheid toe. Omzetting is ook mogelijk in de tien jaar voorafgaande aan de pensioendatum. Wel moet de regeling voorzien in een voorwaardelijke indexatie. Indien de deelnemers langer leven dan verwacht, kan dit in eerste instantie worden gecompenseerd door de indexatie geheel of gedeeltelijk achterwege te laten. Het risico van kruisbestuiving is hierdoor kleiner.

De aanbiedingsbrief

In de aanbiedingsbrief gaan de staatssecretarissen in op de toezeggingen en moties uit het Kamerdebat over de Verzamelwet pensioenen 2014.

Allereerst geeft het kabinet aan dat de verplichtstelling van de nettopensioen in overeenstemming is met het Europese recht. De werkgever kan er voor kiezen om de nettopensioenregeling door een andere pensioenuitvoerder te laten uitvoeren. Een bedrijfstakpensioenfonds is verplicht om op verzoek van de werkgever vrijstelling te verlenen als er een andere pensioenuitvoerder een gelijkwaardige regeling biedt.

Nettopensioen is een pensioen in de zin van de Pensioenwet. Fiscaal was het een lijfrente als bedoeld in de Wet IB2001. Via het amendement Omtzigt is voor de tweede pijler de term nettolijfrente vervangen door nettopensioen. Het kabinet geeft aan dat zij het hierdoor meer passend vindt om voor het fiscale kader ook aan te sluiten bij het loonbelastingregime in de tweede pijler. Dat betekent dat de kring van gerechtigden bij nabestaandenvoorzieningen beperkter is, de hoogte van de pensioenuitkeringen kan variëren binnen de bandbreedte van100:75 en de premiestaffel gebaseerd is op 3% rekenrente.

Commentaar

Door de toevoeging van een omzettingsmoment in de periode tien jaar voorafgaand aan de pensioendatum, creëert het besluit de facto de mogelijkheid voor pensioenfondsen om een vrijwillige middelloonregeling tegen actuariële premie uit te voeren. Door de juridische geëtiketteerde premieregeling materieel vorm te geven als een middelloonregeling tegen actuariële premie, rekt het ontwerp besluit de grenzen van de taakafbakening op. Een pensioenfonds mag een vrijwillige middelloonregeling namelijk alleen uitvoeren tegen doorsneepremie, of met een werkgeversbijdrage van ten minste 10%. Gezien het belang van de taakafbakening, het delicate evenwicht tussen pensioenfondsen en verzekeraars dat hiermee is gerealiseerd en de ontstaansgeschiedenis van deze regeling, is dat naar onze mening zeer onwenselijk. Het introduceren van een relatief beperkte faciliteit als het nettopensioen kan geen reden zijn om het grotere geheel van de taakafbakening op te rekken.

Het kabinet legt omstandig uit dat de verplichtstelling niet in strijd is met Europese regels. Maar beantwoordt de vraag niet of een nettopensioenregeling door pensioenfondsen op grond van deze Europese regels mag worden uitgevoerd als deze niet is verplicht gesteld. Een probleem bij een dispensatieregeling is dat een pensioenfonds bij het verlenen van een vrijstelling "om andere redenen" de eis stelt dat de pensioenregeling ten minste actuarieel en financieel gelijkwaardig is aan die van het bedrijfstakpensioenfonds. Werkgevers die onder de verplichtstelling vallen en geen netto regeling in de tweede pijler willen treffen, maar liever een arrangement in de derde pijler faciliteren, komen uit dien hoofde dus nooit aan een dispensatie toe.

Ook het tijdpad is een probleem. Het Vrijstellings- en boetebesluit is nog niet aangepast. Een werkgever die op 1 januari 2015 een regeling wil laten uitvoeren door een andere uitvoerder, kan dat pas doen als hij dispensatie heeft. Het is de vraag of de bedrijfstakpensioenfondsen in staat zijn om deze dispensatie tijdig te geven.

Pensioen in fiscale zin hoort thuis in de Wet op de loonbelasting 1964 en niet in de Wet IB 2001. Gelukkig is het kabinet dit inmiddels ook van mening en zal het via een nota van wijziging bij het Belastingplan 2015 de fiscale voorwaarden voor het nettopensioen in de tweede pijler baseren op het regime van de Wet op de loonbelasting 1964. Wetstechnisch geheel zuiver en (dus) en goede zaak. Nadeel is wel dat dus pas met Prinsjesdag duidelijk wordt wat dit precies inhoudt.

Al met al een besluit dat op een aantal punten duidelijk verschaft en tegemoet komt aan de wensen vanuit de Kamer en het pensioenveld, maar een aantal vragen openlaat, of doorschuift in de tijd en (daardoor) de tijdsdruk voor pensioenuitvoerders om vóór 1 januari 2015 met concrete oplossingen te komen verder op laat lopen.

Dit nieuwsbericht is een samenvatting van een uitgebreid artikel dat u hier kunt vinden.

 

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis
Bron: Ontwerpbesluit netto pensioen, 1 september 2014