Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Onzakelijke lening leidt tot afkoop stamrecht

6 juni 2019

Kort na het bedingen van een stamrecht leent een Stamrecht BV de gehele koopsom terug aan de stamrecht gerechtigde. De inspecteur stelt dat het stamrecht is genoten en dat de Stamrecht BV loonheffing had moeten inhouden. Ook het Gerechtshof is het met de inspecteur eens.

Stamrecht en lening

In het nieuwsbericht van 5 maart 2018 gingen we in op de uitspraak van de rechtbank. In het kort nog eens de feiten.

De heer D bedingt op 26 september 2011 voor € 130.000 een ontslagstamrecht bij Stamrecht BV. Het stamrecht omvat een recht op een uitgestelde lijfrente. D bezit alle aandelen in Stamrecht BV.

In oktober 2011 leent D een bedrag van € 130.000 van Stamrecht B.V. De inspecteur vraagt in 2013 een leningsovereenkomst op. Stamrecht BV zendt de inspecteur een leningsovereenkomst waarin staat dat D rente en aflossing verschuldigd is over de lening en zekerheden moet stellen.

D komt de aflossingsverplichting en rentebetaling slechts twee maanden na en de zekerheden blijken illusoir. Daarop meldt de inspecteur aan Stamrecht BV dat deze loonheffing moet inhouden vanwege afkoop van het stamrecht door D. Als in 2014 loonheffing wordt afgedragen kan D, volgens de inspecteur, gebruik maken van het overgangsrecht stamrecht. In dat geval is slechts 80% van de afkoopwaarde belast. Stamrecht BV draagt in 2014 geen loonheffing af. In 2015 legt de inspecteur een naheffingsaanslag loonheffing op over 2011. Hij stelt dat het stamrecht in 2011 is afgekocht.

Stamrecht BV maakt bezwaar tegen de naheffingsaanslag. Zij is van mening dat D de ontslagvergoeding heeft omgezet in een stamrecht en dat de lening tussen Stamrecht BV en D zakelijk was. De rechtbank stelt stamrecht BV in het ongelijk. Stamrecht BV gaat in beroep tegen deze uitspraak.

Onzakelijke lening

Het hof stelt vast dat het onaannemelijk is dat de overeenkomst van geldlening die op 3 oktober 2013 door de inspecteur is ontvangen, al op 1 oktober 2011 is opgemaakt. Volgens het Hof blijkt dat schriftelijke vastlegging van een overeenkomst van geldlening ten tijde van het aan D ter beschikking stellen van de gelden in 2011 niet heeft plaatsgevonden. Daaruit volgt dat het geld van de ontslagvergoeding binnen enkele weken na het aangaan van het stamrecht weer volledig aan D ter beschikking is gesteld. Omdat dit gebeurde zonder een daartegenover staande vergoeding en zonder dat stamrecht BV wist of en zo ja wanneer het zou worden terugbetaald, vormt het ter beschikking stellen van het geld aan D een in 2011 plaatsgevonden belaste afkoop van het stamrecht.

Wanneer Stamrecht-BV vanaf november 2013 maandelijks de rente en aflossing had ontvangen, en D deze rente en aflossing volgens de overeenkomst, die aan de inspecteur op 3 oktober 2013 was toegestuurd, verschuldigd was en voldoende zekerheden had gesteld, dan was de situatie anders geweest. Dan had de inspecteur moeten afzien van heffing. Maar dat is niet gebeurd. Hetzelfde geldt wanneer Stamrecht BV (tijdig) gebruik had gemaakt van de ‘80%-regeling’. Maar ook dit is niet gebeurd.

Het hof concludeert dat in 2011 afkoop van het stamrecht heeft plaatsgevonden en dat Stamrecht BV ter zake hiervan € 67.600 (52% van € 130.000) aan loonheffing had moeten inhouden.

Commentaar

De inspecteur stelde zich in deze zaak erg coulant op. Hij bood belanghebbenden in 2013 nog de kans om een en ander te herstellen en afkoop van het stamrecht te voorkomen. Stamrecht BV en D dachten dit op te lossen door formeel een leningsovereenkomst aan te gaan maar die feitelijk niet uit te voeren. Ook het aanbod om het stamrecht af te kopen tegen een waarde van 80% negeerden zij. Het spreekwoord: “als je het onderste uit de kan wil, valt het lid op je neus” komt hier wel uit. Zowel de rechtbank als het gerechtshof veroordeelden Stamrecht BV tot afdracht van loonheffing over het door D in 2011 afgekochte stamrecht

Ook bij een stamrecht BV moet de DGA zakelijk handelen met de BV. De DGA kan niet zomaar beschikken over de gelden van de BV. En als de DGA dat toch wil, dan moet dat op basis van zakelijke grondslagen. In het geval de BV door een lening gelden ter beschikking wil stellen aan de DGA moet er een schriftelijke geldovereenkomst aan ten grondslag liggen. In deze overeenkomst moeten feitelijk voldoende zekerheden worden gegeven, een zakelijke rente en een redelijke aflossing worden overeengekomen. Belangrijk is daarbij ook dat de DGA de voorwaarden uit deze geldleningsovereenkomst nakomt. Dat bewijst deze uitspraak nog maar eens.

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Noord-Holland, 13 februari 2018

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 6 juni 2019.