Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Ook Hoge Raad vindt revisierente bij afkoop lijfrente geen buitensporige last

19 februari 2018

Een belastingplichtige vindt dat hij geen revisierente verschuldigd is bij afkoop van zijn lijfrente omdat daardoor sprake zou zijn van inbreuk op zijn eigendom. Evenals het Gerechtshof beslist de Hoge Raad hiervan geen sprake is omdat de revisierente over de afkoopwaarde geen buitensporige last oplevert.

Revisierente bij afkoop lijfrente

In ons bericht van 14 juni 2017 gingen we op deze procedure voor het Gerechtshof. De belanghebbende, de heer A, ging tegen de uitspraak van het Hof in cassatie bij de Hoge Raad.

In 2012 koopt A zijn lijfrenteverzekeringen af. In zijn aanslag inkomstenbelasting 2012 merkt de Inspecteur de afkoopsommen aan  als inkomen uit werk en woning (box 1). Tevens is A 20% revisierente verschuldigd over de afkoopsommen.

A protesteert tegen de heffing van de revisierente. Door zijn slechte financiële situatie was hij gedwongen om zijn lijfrenteverzekeringen af te kopen. Ook in cassatie stelt A dat hij geen revisierente is verschuldigd omdat:

  • de revisierente voor hem een buitensporige last vormt die leidt tot een ongeoorloofde inbreuk op het recht van eigendom als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EP EVRM);
  • hij in een nadeligere positie wordt geplaatst dan langdurig arbeidsongeschikten die hun lijfrente mogen afkopen zonder dat zij daarover revisierente moeten betalen;

 

A vindt ook dat hij geen premies volksverzekeringen over de afkoopwaarde is verschuldigd omdat deze premies ook niet werden geheven als de uitkering in termijnen zou hebben plaatsgevonden.

Hoge Raad

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Ter motivering verwijst de Hoge Raad naar de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal.

Buitensporige last

De wetgever komt bij belastingheffing een ruime beoordelingsmarge toe. Daarbij kan de wetgever een afweging maken tussen politieke, economische en maatschappelijke belangen. De  wetgever beoogt met het heffen van revisierente te voorkomen dat in strijd met de voorwaarden voor premieaftrek wordt gehandeld, het bewaren van het onderhoudskarakter van de lijfrentevoorziening en het door de wetgever gehuldigde uitgangspunt dat een belastingplichtige die een lijfrente met premieaftrek afkoopt niet beter af mag zijn dan een belastingplichtige die uit zijn netto-inkomen spaart en onder het forfaitaire rendement valt. Deze doelstelling valt onder de hiervoor genoemde marge.

De wetgever heeft daarbij gekozen voor een forfaitair bedrag. De Hoge Raad heeft in onder meer HR BNB 2011/65 overwogen dat “de keuze van de wetgever voor een belastingplichtige alleen dan leidt tot een individuele en buitensporige last indien en voor zover deze last zich in diens geval sterker laat voelen dan in het algemeen”.

A stelt dat hij zich, door het verlies van inkomen door de financiële crisis en ziekte, gedrongen voelde om over te gaan tot afkoop van lijfrenten. Deze omstandigheid rechtvaardigt niet de conclusie dat A door de in rekening gebrachte revisierente zwaarder is getroffen dan anderen aan wie revisierente in rekening is gebracht wegens afkoop van een lijfrente.

Gelet op het bovenstaande faalt de klacht van A dat het Hof ten onrechte niet een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 EP EVRM heeft vastgesteld.

Premies Volksverzekering

De klacht van A dat over de afkoopsom premie volksverzekeringen wordt geheven terwijl dat niet het geval zou zijn geweest indien het lijfrentecontract volledig zou zijn doorlopen faalt, aangezien A door zijn handelen niet langer in aanmerking komt voor het door de wetgever voor oudedagsvoorzieningen verleende belastinguitstel en belanghebbende niet in dezelfde positie verkeert als diegenen bij wie de lijfrentetermijnen tot uitkering komen.

Gelijkstelling met afkoop arbeidsongeschikte

Het standpunt van A dat hij moet worden behandeld als een langdurig arbeidsongeschikte als bedoeld in artikel 3.133, lid 9, Wet IB 2001, faalt omdat die bepaling in het onderhavige jaar niet gold.

Commentaar

Alle grieven van A werden door het Gerechtshof Den Haag afgewezen. In cassatie kwam A niet met nieuwe argumenten. De argumenten overtuigden zowel de Advocaat-Generaal als de Hoge Raad niet. Het beroep in cassatie van A werd dan ook afgewezen.

Al verscheidene keren tekenden belastingplichtigen beroep aan tegen de heffing van revisierente. Tot op heden gingen de rechters, tot de Hoge Raad aan toe, niet mee in deze grieven. Met andere woorden een belastingplichtige die zijn lijfrente afkoopt moet rekening houden met inkomstenbelasting over de afkoopsom en daar boven op nog 20% revisierente. Ons advies bij het voornemen om een lijfrente af te kopen: “bezint eer u begint”.

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Hoge Raad, 9 februari 2018 en Conclusie Advocaat-Generaal, 22 december 2017

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 14 februari 2018.