Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Op de valreep nog ingrijpende wijziging wetsvoorstel Wet bedrag ineens.

Op de valreep nog ingrijpende wijziging wetsvoorstel Wet bedrag ineens.

17 november 2020

Minister Koolmees stuurde op 16 november 2020 een Tweede nota van wijziging bij het wetsvoorstel Wet bedrag in eens, RVU en verlofsparen naar de Tweede Kamer. Daarin creëert hij een tweede keuzemoment voor het opnemen van het bedrag ineens.

Verschil in premiedruk afhankelijk van verjaardag

Tijdens het wetgevingsoverleg van 5 november 2020 stelde met name het Tweede Kamerlid Omtzigt (CDA) het probleem aan de orde dat kan optreden als een deelnemer met pensioen gaat in hetzelfde jaar dat dat hij de AOW-leeftijd bereikt. Als besluit gebruik te maken van de mogelijkheid een deel van de waarde van zijn ouderdomspensioen in een keer op te nemen werkt de heffing van AOW-premies verschillend uit bij deelnemers afhankelijk van de maand waarin ze de AOW-leeftijd bereiken. Vanaf de eerste dag van de maand waarin iemand de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt, betaalt hij geen AOW-premie meer. Als iemand lopende het jaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt, is hij een evenredig gedeelte van de AOW-premie verschuldigd over het jaarinkomen. Het bedrag in eens is onderdeel van dit jaar inkomen en een deelnemer die in januari AOW krijgt betaalt dus minder premie dan iemand die in december AOW-gerechtigd wordt. Omtzigt stelde hier al eerder Kamervragen over, waarvan de antwoorden op de dag van het wetgevingsoverleg van 5 november 2020 beschikbaar kwamen. De Kamerleden Van der Linde (VVD) en Van Weyenberg (D66) sloten zich aan bij Omtzigt en vroegen minister Koolmees met een oplossing te komen.

Koolmees kondigde aan met een nota van wijziging te komen, waarin hij een tweede keuzemoment voor de opname van het bedrag ineens creëert. Door dit tweede keuze moment te laten vallen in het jaar volgend op het jaar waarin iemand AOW-gerechtigd wordt, wordt premieheffing voorkomen.

Tweede nota van wijziging introduceert tweede keuzemoment

Koolmees geeft in de aanbiedingsbrief bij de Tweede nota van wijziging aan dat hij drie mogelijke alternatieven bekeek.

Allereerst het niet meenemen van het bedrag in eens in de grondslag voor werknemers- en volksverzekeringen. Dit leidt volgens de minister tot ongewenste precedenten, past niet in het bestaande stelsel voor belasting- en premieheffing en leidt tot hogere uitvoeringslasten bij de Belastingdienst. Koolmees vindt dit alternatief daarom beleidsmatig niet wenselijk.

De tweede optie behelsde het beperken van de doelgroep voor een tweede keuzemoment tot de groep mensen die die in hetzelfde jaar met pensioen gaan als het jaar waarin ze de AOW-gerechtigde leeftijd bereiken. Deze optie acht Koolmees echter ook beleidsmatig onwenselijk en juridisch kwetsbaar. Volgens de minister is sprake van ongelijke behandeling tussen de groep wiens pensioen ingaat in het jaar voorafgaand aan de AOW-gerechtigde leeftijd en de in deze optie gedefinieerde doelgroep. Tussen deze groepen bestaan volgens Koolmees geen relevante verschillen, zodat niet gerechtvaardigd zal kunnen worden dat deze groepen ongelijk behandeld worden.

Koolmees kiest daarom voor het alternatief waarin de deelnemer - voorafgaand aan zijn pensioeningangsdatum - de keuze krijgt om het bedrag ineens tot uitkering te laten komen op de pensioeningangsdatum óf in de maand februari van het jaar volgend op het jaar waarin de pensioengerechtigde AOW-gerechtigd wordt. Het blijft derhalve één keuzemoment, waardoor de pensioenuitvoerder niet tussentijds hoeft te herrekenen. Wel moet de pensioenuitvoerder extra berekeningen maken bij pensioeningang. Hij moet de hoogte van de periodieke pensioenuitkeringen berekenen vóór de opname van het bedrag in eens, de hoogte van het bedrag ineens en de hoogte van de periodieke uitkeringen ná de opname van het bedrag ineens. De pensioengerechtigde die hier voor kiest, krijgt in eerste instantie dus pensioenuitkeringen op basis van zijn volledige pensioen. In de maand februari van het jaar volgend op het jaar waarin hij AOW gerechtigd wordt, krijgt hij het op de pensioeningangsdatum al vastgestelde bedrag ineens en vervolgens levenslang een lagere pensioenuitkering die is gebaseerd op zijn pensioen na opname van het bedrag in eens.

Dit alternatief past volgens de minister binnen het huidige kader en de omkeerregel blijft van toepassing ook op het  het bedrag ineens tot dat wordt uitgekeerd. Het beperkt volgens hem de extra uitvoeringscomplexiteit en de uitvoeringskosten voor de pensioenuitvoerders ten opzichte van het tijdens het wetgevingsoverleg geopperde tweede keuzemoment.

Commentaar

Op het allerlaatste moment, één dag voor de al een week uitgestelde stemming, komt minister Koolmees op verzoek van de Kamer met een ingrijpende wijziging van het wetsvoorstel. Naast de vraag waarom dit ‘probleem’ niet eerder gesignaleerd is, is het de vraag hoe groot het nu eigenlijk is. Het betreft een relatief beperkte groep mensen die met dit verschil in heffing te maken krijgt. Namelijk alleen degenen die de AOW-gerechtigde leeftijd bereiken in hetzelfde jaar waarin hun pensioen ingaat én die minder inkomsten uit arbeid hebben dan de maximale premiegrens (voor 2020 € 34.712). De voorgestelde wijziging breidt deze groep aanmerkelijk uit. Voor iedereen die gebruik wil maken van deze optie, moet de pensioenuitvoerder nu op de pensioeningangsdatum, in plaats van één berekening, drie berekeningen maken. Hij moet berekenen hoe hoog het pensioen is zonder opname van het bedrag in eens. Die uitkering krijgt de pensioengerechtigde die daarvoor kiest tot februari van het jaar volgend op het jaar waarin hij AOW krijgt. Daarnaast moet hij de omvang van het gewenste bedrag in eens bepalen én de hoogte van het pensioen na opname van dit bedrag in eens. Het bedrag ineens ontvangt de pensioengerechtigde dan in februari van het jaar volgend op het jaar waarin hij AOW krijgt. En vanaf dat moment ontvangt hij dan levenslang zijn lagere pensioenuitkering.

Extra uitvoeringslasten zijn kennelijk alleen een argument als die bij de Belastingdienst neerslaan. Wat dat betreft, is het tweede alternatief weliswaar ook niet ideaal, maar in ieder geval beter uitvoerbaar. De groep mensen die van de nu gekozen optie gebruik kan maken, bestaat uit alle pensioengerechtigden die (ver) voor het jaar waarin zij AOW-gerechtigd worden hun pensioen hebben zien ingaan. Wij zien niet zo direct in waar de door de minister gevreesde ongelijke behandeling op grond van leeftijd zich voordoet. De groep mensen die een heel jaar premieplichtig is en de groep die dat een heel jaar niet is, is naar onze mening niet volledig vergelijkbaar met de groep die dat maar een gedeelte van het jaar is. En van ongelijke behandeling kan alleen sprake zijn bij gelijke gevallen.

Als dit ongelijke behandeling naar leeftijd oplevert, is dat ook het geval bij mensen die na de AOW-ingangsdatum nog inkomsten uit (vroegere) arbeid genieten. Die betalen ook geen premies en hun jongere collega’s wel. Artikel 7, lid 1, onderdeel b Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid maakt immers alleen een uitzondering voor onderscheid dat betrekking heeft op het beëindigen van een arbeidsverhouding of van het dienstverband van een ambtenaar in verband met het bereiken van de leeftijd waarop op grond van de AOW recht op ouderdomspensioen ontstaat, of van een bij of krachtens wet vastgestelde of tussen partijen overeengekomen hogere leeftijd. Daarvan is hier echter geen sprake, maar het is wel al jaar en dag de praktijk. Kennelijk is dus geen sprake van gelijke gevallen.

De Tweede Kamer nam het wetsvoorstel, inclusief de nota van wijziging met algemene stemmen aan op 17 november 2020.

Bron: Tweede nota van wijziging Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 17 november 2020.