Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Oudere ondernemers niet verzekerbaar voor arbeidsongeschiktheid

23 april 2019

Een zelfstandige ondernemer schrijft in een brief aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dat in de praktijk oudere ondernemers geen arbeidsongeschikheidsverzekering (AOV) kunnen sluiten. Hij wil dat voor dit risico een voorziening op de fiscale balans kan worden gevormd. De Minister erkent het probleem maar heeft op korte termijn hier geen oplossing voor.

Technische eindleeftijd AOV

De Minister erkent dat het lastig is voor oudere ondernemers een AOV af te sluiten bij verzekeraars. Dit komt omdat die verzekeraars een technische eindleeftijd hanteren voor AOV’s van zelfstandige ondernemers. Het komt voor dat verzekeraars een lagere eindleeftijd voor een AOV hanteren dan de pensioengerechtigde leeftijd van de AOW. Dat gebeurt bijvoorbeeld als het gaat om zelfstandigen met een zogeheten ‘risicovol of zwaar beroep’ zoals bepaalde beroepen in de bouw. Een belangrijke reden voor private verzekeraars om een eindleeftijd te hanteren is dat een dekking door de AOV tot de pensioenleeftijd een onacceptabele (onbetaalbare) hoge premie oplevert voor de betreffende doelgroep. Verzekeraars zien de technische eindleeftijd daarom als een middel om de AOV toegankelijk (en betaalbaar) te houden voor zelfstandigen met een verhoogd risico.

In het algemeen is gangbaar dat verzekeraars voor bepaalde groepen een uiterlijke acceptatieleeftijd hanteren die ligt op vijf jaar voor de maximale eindleeftijd. Als de eindleeftijd bijvoorbeeld ligt op 60 jaar, dan kan dit betekenen dat een verzekeraar iemand vanaf het 55e jaar niet meer accepteert.

De reden voor het hanteren van een technische eindleeftijd is gelegen in het hoge risico dat de betreffende zelfstandige niet in staat zal zijn om gezond te blijven werken tot de AOW-gerechtigde leeftijd.

De minister ziet niet direct mogelijkheden om het acceptatiebeleid van verzekeraars aan te passen. Het ligt volgens hem meer voor de hand om in te zetten op het reduceren van het arbeidsongeschiktheidsrisico. De polisvoorwaarden moeten zich dan richten op snelle re-integratie en op (om)scholing. Door in te zetten op het beperken van het arbeidsongeschiktheidsrisico in zware beroepen kan deze groep gezond doorwerken tot de AOW-gerechtigde leeftijd. Hij zal hierover nader in gesprek gaan met verzekeraars en andere stakeholders die hierin een rol van betekenis kunnen hebben.

Fiscale reservering arbeidsongeschiktheidsvoorziening

De ondernemer pleit in zijn brief om het fiscaal mogelijk te maken dat ondernemers kunnen reserveren voor een voorziening in eigen beheer ten behoeve van het arbeidsongeschiktheidsrisico (AO-voorziening). De minister geeft een aantal redenen waarom dit volgens hem geen goed idee is.

Het voornaamste bezwaar is dat het niet wenselijk is dat het risico van arbeidsongeschiktheid in eigen beheer wordt gehouden. Bij een AOV hoort dat het betreffende risico extern wordt ondergebracht. Daarom is in de regelgeving een aftrekmogelijkheid gegeven van premies die verschuldigd zijn aan professionele verzekeraars.

Een ander bezwaar is dat bij een snel intredende arbeidsongeschiktheid niet voldoende zal zijn gereserveerd om de verplichting na te komen. In veel situaties zal bij arbeidsongeschiktheid de onderneming worden beëindigd, waarbij de verplichting tot uitkering elders zal moeten worden ondergebracht. Op dat moment zal er in veel gevallen onvoldoende vermogen beschikbaar zijn om de verplichting tot uitkering elders onder te brengen.

Tevens past het in eigen beheer houden van de arbeidsongeschiktheidsverplichting niet bij de in 2016 gemaakte beleidskeuze om het pensioen in eigen beheer uit te faseren. Een dergelijke voorziening heeft (te) grote budgettaire consequenties voor de overheid.

Het (wettelijk) creëren van de mogelijkheid van een AO-voorziening heeft volgens de Minister een ongewenste uitstraling naar andere situaties waarin thans ook geen fiscale voorziening kan worden gevormd.

Lijfrente

Tot slot wijst de minister nog op de wettelijke mogelijkheden voor een lijfrente in geval van arbeidsongeschiktheid. Bij langdurige arbeidsongeschiktheid kan onder bepaalde voorwaarden en tot aan een bepaalde limiet een aanspraak op lijfrente geheel of gedeeltelijk worden afgekocht zonder dat revisierente verschuldigd is. Ook bij staking van de onderneming geldt bij arbeidsongeschiktheid van 45% of meer een verhoogde lijfrentepremieaftrek (€ 459.688 in 2019).

Commentaar

Het wezen van verzekeraars is dat zij risico’s van verzekerden overnemen tegen betaling van een premie die veel lager is dan dit risico. Bij oudere zelfstandig ondernemers is het risico op arbeidsongeschiktheid dermate groot dat de premie net zo hoog of hoger is dan de uitkering. Commerciële verzekeraars willen dergelijke risico’s niet verzekeren omdat de kans op winst of verlies op een dergelijke polis onevenredig hoog is. De Minister ziet geen kans dit beleid van verzekeraars te wijzigen. Hij ziet wel mogelijkheden om het arbeidsongeschiktheidsrisico te verkleinen. Maar dan moeten de AO-verzekeringen voorwaarden bevatten dat ondernemers zich verplichten tot bij- en omscholing en voorwaarden voor re-integratie. Het is de vraag of zelfstandig ondernemers hiertoe wel bereid zijn.

De Minister wil ook geen AO-voorziening in eigen beheer toestaan. Dit kost te veel. Maar misschien nog wel belangrijker een dergelijke voorziening is in geval van snelle arbeidsongeschiktheid niet toereikend.

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 4 april 2019

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 19 april 2019.