Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Overdracht lijfrenteverplichting leidt tot afkoop (verzekeraarsanctie)

24 juli 2018

In verband met een herstructurering dragen partijen een stakingslijfrente over aan een persoonlijke holding BV. Door de overdracht voldoet de lijfrente niet meer aan de wettelijke voorwaarden. De waarde van de lijfrente is belast volgens de saldomethode en de DGA’s moeten 20% revisierente betalen. 

Overdracht stakingslijfrente

De heren A en B brachten op 1 januari 1998 hun vennootschap onder firma in de Werk BV. Ieder van hen kreeg van de BV een direct ingaande lijfrente voor het bedrag van de stakingswinst en de afname van de oudedagsreserve. 

In 2010 richtten A en B ieder een persoonlijk holding BV op. Deze persoonlijke holdings houden ieder 50% van de aandelen in Beheer BV. Op 1 maart 2010 verkoopt Beheer BV haar aandelen in de Werk BV. In verband met de verkoop van de aandelen in de Werk BV draagt deze BV de lijfrenteverplichtingen jegens A en B over aan de persoonlijke holding BV ‘s van A en B. De persoonlijke holding keerde in 2010 aan B een lijfrentetermijn uit van € 3.426.

Omdat de persoonlijke holding BV geen toegelaten verzekeraar is, telt de Inspecteur € 131.908 bij B’s inkomen. Dit is de waarde in het economische verkeer van de lijfrente-aanspraak. Ook brengt de inspecteur bij B een bedrag van € 26.381 aan revisierente in rekening. En de lijfrentetermijn van € 3.426. 

B is het niet eens met de belastingheffing over de lijfrentetermijn. Evenmin is B het eens met de in rekening gebrachte revisierente.

Belastingheffing over de lijfrentetermijnen

B vindt dat er dubbele heffing plaatsvindt: eerst belastingheffing over de waarde van de stakingslijfrente en daarna over de lijfrentetermijn. De Hoge Raad stelt B hierin het gelijk.

De stakingslijfrente is gesloten vóórdat de Wet IB 2001 van kracht werd. Op basis van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 (de Invoeringswet) blijven op deze stakingslijfrente de regels van toepassing die daarvoor golden op 31 december 2000. Dat zijn de regels volgens  de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (de Wet IB 1964). Dit houdt volgens de Hoge Raad in dat bij overdracht van de lijfrente naar een niet toegestane verzekeraar de waarde van de lijfrente, groot € 131.908, belast wordt. 

De waarde van de lijfrente die als negatieve uitgave voor inkomensvoorzieningen belast is, wordt aangemerkt als een prestatie die niet ten laste van het inkomen kon komen. Volgens de Hoge Raad leidt dit ertoe dat de saldomethode van de wet IB 1964 van toepassing is op de lijfrentetermijnen die B na 1 maart 2010 ontving. Het onbelaste saldo bedraagt daarbij € 131.908. Dat houdt in dat de lijfrentetermijn in 2010 niet belast is. 

Revisierente 

Volgens B is de revisierente onterecht in rekening gebracht omdat de lijfrenteverplichting op reguliere wijze wordt afgewikkeld en er geen sprake is van misbruik. Volgens B mag de revisierente niet in rekening worden gebracht omdat het een boete is die gemotiveerd moet worden. 

Volgens de Hoge Raad heeft revisierente wel wat bestraffende aspecten, maar is het meer reperatoir bedoeld. De Hoge Raad volgt hierin de Advocaat-Generaal: “Het door de wetgever nagestreefde doel van de revisierente is om een belastingplichtige die een handeling in strijd met de voorwaarden voor premie-aftrek heeft gedaan, hetzelfde te behandelen als een belastingplichtige die van zijn netto-inkomen heeft gespaard. Nu het doel is om de voordelen van de fiscale begeleiding terug te draaien zodat een belastingplichtige gelijk wordt behandeld als een persoon die geen fiscale begeleiding heeft gehad, heeft de heffing van revisierente geen leedtoevoeging tot doel. Dit neemt niet weg dat belastingplichtigen de regeling - doordat zij de situatie na afkoop vergelijken met de situatie dat zij wel premie-aftrek kregen - als leedtoevoeging kunnen ervaren.

Een en ander houdt in dat de revisierente veel minder een bestraffend doel heeft, maar meer ziet op de belastingheffing te repareren bij niet-reguliere handelingen met lijfrenten. Het beroep van B om deze heffing achterwege te laten wordt verworpen.  

Commentaar

Zelfstandig ondernemers kunnen bij overdracht van de onderneming een lijfrente (stamrecht) aankopen voor hun oudedagsreserve en belaste stakingswinst bij de overnemende ondernemer. De overnemende ondernemer (of BV) is een toegestane lijfrenteverzekeraar. De lijfrenteverplichting voldoet niet langer aan de voorwaarden wanneer de overnemende ondernemer de lijfrenteverplichting overdraagt aan een andere – niet professionele –verzekeraar. Dit heeft tot gevolg dat de waarde in het economisch verkeer van het stamrecht belast is en er revisierente betaald moet worden. Deze sanctie staat ook wel bekend als de ‘andere verzekeraarsanctie’. Daarvan was ook sprake in deze casus.

In het besluit van 28 mei 2018 geeft de staatssecretaris van Financiën aan hoe de belastingdienst omgaat met deze sanctie. Meer hierover leest u in ons bericht van 29 juni 2018. 

In dit geval droegen de belanghebbenden hun lijfrenteverplichting over van de Werk BV aan hun respectievelijke persoonlijke holdings kort voordat de aandelen van de Werk BV werden verkocht.  Dit leidde tot toepassing van de andere verzekeraarsanctie. Doordat de lijfrenteverplichting bij de andere verzekeraarsanctie belast wordt als negatieve uitgave voor inkomensvoorziening geldt de saldomethode wanneer de lijfretentermijnen worden uitgekeerd. Daarbij is van belang wanneer de premie betaald is. In de huidige wetgeving geldt dat contracten die voldoen aan de wettelijke voorwaarden uitsluitend in box 1 worden belast. Voor zover een belastingplichtige de premie niet geheel kan aftrekken geldt een bepekte saldo methode. Tot maximaal € 2.269 per jaar per persoon kunnen betaalde premies onder het niet-belaste saldo worden gebracht. In het kader van overgangsrecht geldt deze beperking van de saldomethode niet voor premies die betaald zijn tot en met 2009. Daardoor geldt voor B in deze casus toch de integrale saldomethode en worden zijn lijfrentetermijnen pas belast wanneer zij in totaal meer bedragen dan € 131.908. 

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis
Bron: Hoge Raad, 13 juli 2018
Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 24 juli 2018.